× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 1944  Angela Autsch

Angela (geboren Maria Cäcilia) Autsch, Auschwitz', Polen; † 1944.

Sterfdag 23 december.

Aan haar is een hoofdstuk gewijd in: Günter BEAUGRAND 'Die neuen Heiligen' Augsburg, Pattloch, 1991. ISBN 3-629-00579-9 pp.311-320, geschreven door Hermann Muhlhaupt. Wij laten hieronder eenvoudig de (eigen) vertaling volgen.

In dienst van de armen
“Laat mij voor de wereld gestorven zijn
Laat niemand weten van mijn bestaan
Dat vraag ik U, neem mij van me weg
En geef me helemaal aan U.”

Zo besluit een met de hand geschreven gebedje. Het komt uit de pen van een kloosterlinge. Bijna was het haar gelukt volslagen onbekend en in volle overgave aan Gods wil haar leven te beëindigen. Ware het niet dat haar heldhaftige werkzaamheid tot zegen van haar medemensen alsnog na haar dood op waarde werd geschat. Op 8 maart 1990, zowat 44 jaar na haar dood in het concentratiekamp Auschwitz, bracht de aartsbisschop van Wenen, kardinaal Hans Hermann Gröer het proces van haar zaligspreking op gang.

We hebben het over een zuster van de Trinitariërs, Angela van het Allerheiligst Hart van Jezus. Zij ging de geschiedenis in als ‘engel van Auschwitz’, het meest gevreesde concentratiekamp van de nazi’s. Zij wordt nu aan de wereld der overlevenden voorgehouden als een lichtend voorbeeld van naastenliefde temidden van een hel des doods.

Vele jaren waren alleen insiders op de hoogte van haar bestaan, medegevangenen, deelgenoten in haar lijden, gekwelde en gemartelde mensen, die op het laatste moment wisten te ontsnappen aan de gaskamers en die niet moe werden te getuigen van het leven van deze zuster die met recht de naam van Angela (= ‘engel’) droeg. Zij was het getuigenis van Gods liefde in eigen persoon.

Zuster Angela heette in de wereld Maria Cäcilia Autsch. Zij werd op 26 maart 1900 geboren als vijfde kind van de steenhouwer August Autsch en zijn vrouw Amalia, geboren Schmidt. Haar thuis is het dorpje Röllecken bij Attendorn in Sauerland. In het doopregister van de parochie van Düschede staat vermeld dat zij op de 28e maart 1900 in de St-Martinuskerk het doopsel ontving. Haar familie verhuisde in 1908 van Röllecken naar Bamenohl. Daar deed Maria, die op dat moment nog Mariechen werd genoemd, op 14 april 1912 haar eerste communie. Op 12 september 1913 ontving zij met haar broers en zussen het sacrament van het vormsel uit handen van Carl Josef Schulte, de bisschop van Paderborn.

Reeds op jonge leeftijd beloofde Maria Cäcilia aan Jezus in de eucharistie dat ze Hem als kloosterlinge zou dienen. Maar de weg naar haar roeping leidde haar eerst naar een gewone baan. Na beëindiging van haar lagere school verdiende zijde kost in Bamenohl als dienst- en kindermeisje. Vanaf 12 mei 1915 krijgt ze een leerlingenplaats in het warenhuis Bischof & Brögger te Finnentrop; ze brengt het tot gediplomeerd medewerkster en tenslotte zelfs tot eerste verkoopster. “Gewend als zij was om zelfstandig en gewetensvol te werken, zorgde juffrouw Autsch ook grotendeels voor de inkoop,” aldus een getuigschrift uit het jaar 1930.

In 1930 gaf Maria Cäcilia haar baan op. Waarschijnlijk onder invloed van de familieomstandigheden. Haar moeder was in 1921 gestorven en het gezin was verhuisd naar Heinsberg. Daar hielp zij voortaan bij haar broer die een supermarktje dreef. Maar het idee om God als kloosterzuster te dienen, bleef steeds aanwezig.

Als jonge vrouw hielp ze mee met de trinitarische lekenbeweging. Daar had ze de spiritualiteit van de orde der trinitariërs leren kennen en voelde zich ermee verwand. De trinitariërs heten naar de Heilige Drievuldigheid. Zij is een samenwerkingsverband van broeders, zusters en leken dat teruggaat op de Fransmannen Johannes van Matha († 1213; feest 17 december) en Felix van Valois († 1212; feest 20 november). Oorspronkelijk was ze gesticht voor de vrijkoop van galeislaven. Met de verandering der tijden beschouwde de orde het als haar belangrijkste taak te zorgen voor de allerarmsten met een voorkeur voor de gevangenen. In de loop van de geschiedenis bekeek de orde keer op keer haar uitgangspunt en doel, om antwoord te kunnen geven op de noden van de mensen van haar tijd. Zij bleef trouw aan haar oorspronkelijke ideaal: ‘aan de allerarmsten Gods liefde kenbaar maken’. Maria Cäcilia zou deze opdracht waarmaken met alle zelfopoffering van dien.

Op 27 september 1933 trad ze te Mötz (Tirol) in bij de destijds enige vestiging van de orde in het Duitse taalgebied. Op 4 juli 1934 werd ze ingekleed. Op 20 augustus 1935 legde zij haar eerste geloften af, en op 28 september 1938 verbond zij zich voorgoed aan de orde middels het plechtig uitspreken van de eeuwige geloften. Nu heette zij zuster Angela van het Allerheiligst Hart van Jezus; zij leerde de bittere armoede kennen waar het kleine kloostertje vanaf de stichting in 1926 mee te kampen had. Deze Tiroolse stichting ging terug op gravin Karoline Erdödy; zij had in Mötz de beschikking gekregen over een landhuis met werkplaatsen en bijgebouwen. Zuster Angela was met name werkzaam als boerin. Door wat les te geven in handwerken en kosterswerkzaamheden probeerde de communiteit te voorzien in het eigen schamele levensonderhoud.

Concentratiekamp Ravensbrück
Na de intocht van Hitler in Oostenrijk vreesden de trinitariërzusters voor het voortbestaan van hun Christus-Koningkloostertje. Begin augustus 1940 maakte Angela een onvoorzichtige opmerking tegenover een buurvrouw die zich zorgen maakte over haar zoon die onder de wapenen was geroepen: “Die Hitler is een plaag voor heel Europa.” Deze uitspraak werd zuster Angela noodlottig. De man van deze buurvrouw was hoofd van de plaatselijke nazi-afdeling; hij gaf de kloosterzuster aan. Zij werd op 12 augustus 1940 door de Gestapo gearresteerd op beschuldiging van belediging van de Führer en ondermijning van de moraal. Ze werd overgebracht naar de politiegevangenis van Innsbruck en als arrestant met het nummer 4651 in concentratiekamp Ravensbrück afgeleverd.

Hiermee begon de lijdensweg van zuster Angela, die echter tegelijk een weg zou worden van dienende liefde. Met een open oor en fijngevoelig, geheel doordrongen van de gedachte niet op eigen hachje te letten, maar op verlichting en hulp van de medegevangenen, werkte zij in het verborgene overal waar het nodig was, gedragen door haar rotsvast geloof.

Rosa Jochmann, een medegevangene, vertelt: “Toen we een keer op de appèlplaats wat wandelden, liep een beeldschoon achtjarig meisje met ons mee. Plotseling stortte zich een vrouwelijke opzichter op het kind met een zweep. Maria greep de zweep vast en zei tegen die vrouw: ‘Waarom wilt u dat meisje slaan? Ze heeft toch niks gedaan!?’ Mijn hart stond stil, want ik was ervan overtuigd dat Maria in de strafbarak terecht zou komen, dat ze eerst een pak slaag zou krijgen en dan in de strafbarak vastgezet, maar nee, dat gebeurde niet. De vrouwelijke opzichter keek Maria aan, liet de zweep zakken draaide zich om en ging weg. Voor mij was dat destijds een wonder. Maar later heb ik mij gerealiseerd dat Maria door haar manier van doen een bijzondere uitstraling had.”

Gevangenenummer 512 in Auschwitz
Op 26 maart 1942 haar tweeënveertigste verjaardag arriveerde zuster Angela in concentratiekamp Auschwitz. Voortaan had ze gevangenenummer 512. In haar boek ‘Erloschene Augen’ (= ‘Gedoofde ogen’) geeft dokter Margita Schwalbová een levendige situatieschets van de toestand in het kamp. Het getuigenis van deze vrouw vormde de aanzet om het zaligverklaringsproces van onze trinitariërzuster op gang te brengen.

Een citaat uit het boek:
‘Een morgen in maart. Aan de hemel schitteren nog de sterren en duisternis bedekt de wereld. “Appèl. Appèl!” Wij begrijpen de strekking van deze woorden nog niet. Wij staan in rijen van vijf met kaal geschoren hoofden zonder hoofddoek in oude Russische uniformen; kousen hebben we niet. Ik sta in de voorste rij. Dat is vervelend want de wind opent telkens mijn legerbloes en mijn hemd waar geen knopen aan zitten. Gelukkig heb ik gisteren wel een stukje touw gevonden waarmee ik mijn soldatenbroek een beetje kon samenbinden. Langzaam wordt het dag. De morgen voelt als zilver aan, de lucht kleurt rozerood. Naast mij viel iemand flauw; zijn hoofd sloeg tegen het ijs van een bevroren plas. “Laat liggen!” schreeuwt de vrouw die de leiding heeft. ‘Ik laat je staan tot je zwart ziet, mestkevers, naarlingen.!” Zo word ik dus door het concentratiekamp aangesproken denk ik bij mijzelf en probeer tegelijk mijn verstijfde benen een beetje te bewegen.

Een gemompel gaat door de rijen, iets van opwinding. Voor ons staat het hoofd van toezicht, een gezette, al wat oudere vrouw. Zou ik ze in de gewone wereld op straat tegenkomen, dan zou ik denken dat het een doodgewone vrouw was uit de middenklasse, een zorgzame moeder voor haar kinderen. Het is stil, het hoofd van toezicht spreekt: ‘Iedere dokter, studente medicijnen en verpleegster moet zich nu, onmiddellijk, melden!’ Ik ben de enige. Ik doe een stap naar voren. ‘Na het appèl meteen naar het revier!’ Het hoofd van de barak brengt me er heen; zo begrijp ik dat ‘revier’ de ziekenafdeling voor de gevangenen is. Nadat de SS-arts mij een doktersexamentje heeft afgenomen, word ik aangenomen. De oude gevangenen dringen om mij heen. Het zijn drie Duitse communistenvrouwen; de eerste zit al negen jaar vast, de tweede zeven, en de derde zes. Zij vragen naar politieke nieuwtjes: hoe het front verloopt, hoe het illegale verzet werkt, hoe de situatie in de Sovjetunie zich ontwikkelt enz. enz. Tenslotte komt een kleine, frêle vrouw met rosse wangen, grote, blauwe kinderlijke ogen en fijne gouden haren naar me toe: “Ik ben zuster Angela!” Zij lacht me bemoedigend toe en streelt even over mijn kaal geschoren hoofd. Ik ga de afdeling binnen die mij is aangewezen en stel mij voor aan de patiëntes daar. ’s Avonds staat er plotseling voor mij een waskom met warm water, een stukje zeep, een tandenborstel, een schone handdoek, een zakdoek en schoon ondergoed. Ik weet niet hoeveel dagen ik mij al niet meer gewassen heb. Mijn ogen schitteren van geluk. Wie kan dat hier hebben neergezet? Als ik me gewassen en weer aangekleed heb, kom ik tot de ontdekking dat alle knopen aan mijn hemd en broek weer zijn aangezet.

Ik ga slapen. Ik slaap alleen in een vrij grote ruimte die vol staat met stapelbedden van drie verdiepingen. Ik ben namelijk op dat moment de enige Joodse gevangene die in het revier werkt. Ik ga naar binnen. Op mijn bed brandt een zaklantaarn en daarnaast een bord met wat suikerklontjes, kaakjes en een citroen. Ik begrijp het niet, kan het niet vatten, maar ben te moe om erover na te denken.

Aangekleed ga ik op mijn strozak liggen en val in slaap. In mijn sluimer hoor ik voetstappen. Iemand buigt zich over mij heen, streelt even mijn wangen; ik heb de indruk dat hij bidt. Ik hoor het nauwelijks en versta het ook niet. Misschien droom ik het alleen maar.

Het was geen droom, het was mijn eerste ontmoeting met Angela. Angela was een non uit Westfalen; haar klooster stond in Tirol. Zij was al voor het derde jaar in het concentratiekamp wegens belediging van de Führer en opruiing van het volk. Zij had de taak de eetrantsoenen in het revier te verdelen en de linnenkamer te verzorgen. Vanaf de eerste dag werden wij vriendinnen.’

Bruggen van liefde
Zo ongeveer een jaar van maart 1942 tot het voorjaar van 1943 komen de dokter en de kloosterzuster elkaar elke dag tegen. Maar 15 mei sloeg het uur van afscheid; zuster Angela Autsch verhuisde als verpleegster naar het SS-lazaret buiten het vrouwenkamp van Birkenau. Daar moest ze de zieken van dienst zijn die tegelijk haar medegevangenen doodmartelden. Maar zelfs hier vergat zuster Angela van het Allerheiligst Hart van Jezus het gebod van de naastenliefde geen moment. Door uit te treden uit de orde had ze haar ontslag uit het concentratiekamp kunnen bewerkstelligen. Maar ze bleef haar roeping trouw.

Dokter Schwalbová heeft een apart hoofdstuk in haar boek gewijd aan deze heldhaftige kloosterzuster met de titel ‘Angela’. Hier horen we hoe zij in stilte haar werk deed, en hoe ze midden in die onvoorstelbare ellende met een glimlach, een gebaar of een troostend woord bruggen van liefde over afgronden sloeg.

Met gevaar voor eigen leven overtrad zuster Angela gedurig de strenge kampregels om weerloze vrouwen zonder enige bescherming te behoeden voor de allerergste vernederingen. Ze bracht ze ’s zondags stiekem naar het revier, verzorgde de menselijke wezens die onder de luizen en de vuiligheid zaten met water en zeep en gaf ze schone kleren. Ze sloot vrouwen in de wasruimte op tot ze klaar waren met hun toilet en bracht ze langs verboden paadjes terug naar hun onderkomen. Ze nam de SS-vrouwen die het toezicht hadden herhaaldelijk in de maling alleen maar om haar beschermelingen te kunnen helpen. Ze legden spullen opzij die eigenlijk ergens anders voor bedoeld waren; zo liet ze zich bij voorbeeld soms de voedselrantsoenen van de vorige dag bezorgen denk aan de porties voor de gevangenen die in de afgelopen nacht gestorven of vermoord waren om die aan patiëntes die aan de beterende hand waren , of aan vrouwen in het kamp door te kunnen geven.

Eiland van vriendschap
Dokter Schwalbová: ‘Angela, altijd doende en energiek, behield in haar ogen diezelfde vertrouwen wekkende blik; haar glimlach straalde geduld uit. Een paar dagen na onze aankomst in Birkenau kreeg ik vlektyfus. De koorts brandde, luizen knaagden aan me en de zwoele lucht maakte het ademen extra moeilijk. Aan de nachten kwam geen eind, een zwarte ondoordringbare duisternis. Als ik ‘door het lint’ ging, was ik helemaal van de wereld. Elke nacht wurgde mij iemand uit mijn spookwereld of sloeg mij, overgoot mij met koffie of eigen uitwerpselen. Naast mij, boven mij, en onder mij lagen stervende vrouwen: ze schreeuwden en ijlden mijn lotgenotes. Elke dag stierven er in mijn fantasie honderden, verstomd. En elke dag rukte men de doden van de bedden, wierp ze op draagbaren en voerde ze af.

In dit gekkenhuis bewoog zich Angela als een glimlach van het ochtendgloren, als een straal zonlicht. Elke dag kwam zij mij wassen met warm water, bracht me soep en gaf me te eten, ze gaf me kompressen en maakte jacht op mijn luizen.

In het donker van de avond ging ze op mijn luizige bed zitten, nam mijn hand in de hare en vertelde. Ze vertelde van de heilige Kleine Theresia, van de heilige Michaël en vele andere heiligen, hun leven, hun dood en hun wonderdaden. Ze wist dat ik atheïste was, en toch spreidde ze met bezieling in de ogen telkens weer haar geloof voor mij uit als een bloementuin. Die avonden waren prachtig.

Temidden van de verschrikkelijkste ellende ontstond hier een eiland van tederheid en liefde. En in mijn hoge koorts was het voor mij alsof ik een klein kind was en of mijn moeder bij me zat en sprookjes vertelde, zo mooi en zilverkleurig als de golven van het beekje in mijn vaderstad, zo roze en helder als een lenteavond.

Eens verborg ze een negenjarig Joods meisje, Olga, onder de dakgebinten van het wasruim. Zo hoopte zij haar aan de greep van de SS te onttrekken. Het liep ernstig gevaar want ze had longontsteking. Olga had ijlkoortsen toen het groepshoofd binnenkwam. Hij hoorde het meisje hoesten. Zuster Angela had ijeren zenuwen. Ogenschijnlijk onaangedaan zei ze: “Groepshoofd, ik heb een nieuwe bezem nodig en een rek voor de was. Zo kan ik niet werken.” Olga hoestte opnieuw. Het groepshoofd hoorde het, maar zei niets. Zwijgend gaat hij naar buiten. Zo leefde zuster Angela in de hel van Auschwitz, als een engel in de meest ware zin van het woord…’

Dr Schwalbová gaat verder: ‘Intussen was het al een hele drom vrouwen die in het donker naar de keukendeur van haar revier kwamen en eten bij haar afhaalden. Daarnaast verdeelde zij ook water, het kostbaarste en waardevolste goed in het kamp. Het revierpersoneel had het recht water te halen in de revierkeuken. Gewone gevangenen zou zo’n onderneming het leven kunnen kosten. Als de wereld zich in haar zwartste deken hulde en de vrouwen, vermoeid en smerig, erover zaten te piekeren wat ze zouden doen met hun half kopje zogenaamde koffie uitdrinken of minstens handen en gezicht een beetje afdeppen kwam zuster Angela de barak binnen met water en waskom. Later op de avond bracht ze met hetzelfde doel een paar vrouwen naar haar ‘dieetkeuken’. Deze bezigheden waren allebei uiterst gevaarlijk. Het was namelijk voor reviergevangenen ten strengste verboden in de kampbarakken te komen, andersom mochten kampgevangenen niet naar het revierterrein. Angela zat er niet mee. Als ze het weer eens geflikt had, straalden haar ogen als van een kind dat een streek had geleverd.’

Een heilige voor Gods troon
Herhaaldelijk omzeilde de trinitariërzuster ook de briefcensuur: zestig kampbrieven en zes schrijvens die niet door de censuur gekomen zijn, bevinden zich tegenwoordig in het moederhuis Mödling bij Wenen.

Op een postkaart van 5 september 1942 staat te lezen: “Wat betreft Gela, lief moedertje, niets doen. Het heeft geen zin. Als ze tijd heeft, komt ze wel zelf naar u toe, ze is zo aanhankelijk. Ook Cillerl kan zich niet zo maar vrij maken uit haar bezigheden. Geef haar de tijd tot oom het goedvindt. Anders wordt hij humeurig, hij is ook niet meer één van de jongsten. Twee jaar is ze al bij hem. Hopelijk jullie twee in goede gezondheid. Ik maak het nog altijd goed en ben in vorm. Groet Bergmoedertje en haar kinderen allerhartelijkst. Zij zijn allemaal zo goed voor me, Altijd al trouwens. En Vader en Jozef al niet minder. Ik weet dat ze aan me denken. Ook oom Bernarhard, Alfons en alle andere bekenden…, vooral meneertje… hartelijke groeten. Ik denk aan jullie.”

‘Gela’ en ‘Cillerl’ zijn pseudoniemen voor Angela Autsch. ‘Oom’ is het machtsapparaat van de nazi’s. Met ‘Bergmoedertje’ wordt Onze-Lieve-Vrouw van Locherboden in Mötz bedoeld, en met ‘Vader’ en ‘meneertje…’ Jezus Christus…

Uiteindelijk kreeg ook zuster Angela - net als vele andere gevangenen vlektyfus. Op dat moment was ze veertig jaar en liep extra risico vanwege een hartafwijking. Maar ze kwam er doorheen en zette haar liefdediensten met inzet van al haar krachten voort.

De hartafwijking werd de trouwe, zorgzame zuster tenslotte toch noodlottig. Om 18.45u op 23 december 1944 kreeg het SS-lazaret bij een bomaanval van geallieerde gevechtsvliegtuigen een voltreffer. Vele SS-ers kwamen om het leven. Onder de slachtoffers is ook een vrouw: zuster Angela. Ze was op weg naar het kamp, toen een hartaanval een eind maakte aan haar leven van opoffering.

Een vrouwelijke getuige schreef later aan de overste van de trinitariërzusters: “Wij hebben een kleine heilige die voor Gods troon onze voorspreekster is. Iedereen hield van Angelchen, engeltje, van haar liefde en oprechtheid. Ze was te goed voor deze wereld, daarom heeft het Goddelijk Kind haar naar zich toe gehaald…”

Het lichaam van zuster Angela van het Allerheiligste Hart van Jezus vond zijn eind in het crematorium van het beruchte concentratiekamp Auschwitz. Maar haar ziel leeft daar mogen we zeker van zijn dichtbij het Heilig Hart van Jezus dat zij zo intens heeft nagevolgd, in de eeuwige aanschouwing Gods.


Bronnen
[Bgd.1991p:311-320; Dries van den Akker s.j./2007.12.03]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen