× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† ca 577  Patroclus van Colombier

Patroclus van Colombier bij Bourges (ook van Néris), Berri, Frankrijk; kluizenaar; † ca 577.

Feest 16 (bisdom Moulins) 19 & 23 & 28 (bisdom Bourges) november.

Zijn leven wordt verteld door Sint Gregorius van Tours († 594; feest 17 november) in zijn boek 'Leven van de Vaders'.

'1 De zalige Patroclus was afkomstig uit de omgeving van Bourges. Zijn vader heette Aetherius. Op tienjarige leeftijd moest hij schapen gaan hoeden, terwijl zijn broer Antonius letteren mocht gaan studeren. Zij genoten niet de waarheid van een hoge adel, maar het waren vrije mensen. Op een dag waren ze weer rond het middaguur voor het eten naar hun vaders huisje gekomen, de een uit school, de ander van het veld waar hij de kudde had gehoed. Op dat moment zei Antonius: "Ga niet zo dichtbij me zitten, boerenkinkel. Jij hoedt de schapen en ik studeer letteren. Dat geeft mij meer adel, terwijl jij maar laag bij de grond blijft met je zorg voor de beesten." Patroclus beschouwde dit verwijt als een vingerwijzing Gods: hij liet de schapen in de wei achter, en rende naar de lagere school.

Wij staan er verwonderd over dat de heilige zijn oorspronkelijke taak zonder meer in de steek laat, en dat de schrijver er verder geen woord over zegt. Maar dat recht-op- het-heilige-doel-afgaan, zonder om te kijken, was juist in de ogen van de gelovige uit die tijd een teken van zijn heiligheid. Precies zo was de jonge Jezus destijds in de tempel temidden van de priesters achtergebleven, zonder zich om het verdriet van zijn ouders te bekommeren (vgl. Lukas 02,41-52). Precies zo was volgens de legende Jezus' moeder Maria zelf als klein meisje zonder nog één keer naar haar ouders om te kijken de trappen van de tempel opgesneld naar de hogepriester die haar boven stond op te wachten. Zo liet de heilige merken hoezeer hij of zij al in God was opgegaan, zonder zich verder nog om het aardse te bekommeren. Juist waar wij zo veel waarde hechten aan de emoties voor degenen achterblijven. Straks zullen we daar nog een voorbeeld van tegenkomen: als hij niet in wil gaan op de plannen van zijn moeder.

Daar leerde hij dankzij zijn goede geheugen alles wat men hem op zijn jonge leeftijd te leren gaf, en wel zo vlug dat hij, met de hulp van God, binnen de korstste keren zijn broer voorbijstreefde, zowel in kennis als in inzicht. Nu werd hij toevertrouwd aan Nunnion om zich bij hem verder te bekwamen. Deze genoot destijds groot aanzien bij Childebert, de koning van de Parisiërs.

Dit was dus Childebert I, zoon van frankenkoning Clovis († 511) en Sint Clotilde († 545; feest 03 juni): hij regeerde van 511 tot 558.

Deze voedde hem op met alle mogelijke zorg en liefde. Patroclus bleef daaronder zo bescheiden en onderdanig, dat iedereen hem graag mocht en hem net zo vriendelijk behandelde als een echt familielid. Na de dood van zijn vader keerde hij naar zijn ouderlijk huis terug, waar zijn moeder nog in leven was.
Zij zei:
"Mijn jongen, nu je vader dood is leef ik zonder troost. Ik zal dus een meisje uit de vrije stand voor je zoeken, waarmee je kunt trouwen; zo zul je voor je moeder in haar weduwschap tot troost kunnen zijn."

Maar hij antwoordde:
"Ik ga niet met een vrouw trouwen; nee, ik ga liever doen wat volgens mij de wil van God is."
Zijn moeder begreep er niets van en vroeg hem om uitleg. Maar die gaf hij haar niet. In plaats daarvan wendde hij zich tot bisschop Arcadius van Bourges
(† ca 549; feest 1 augustus) met het verzoek hem de haren af te knippen en hem in de rijen van zijn geestelijken op te nemen. De bisschop gaf onmiddellijk gehoor aan zijn verzoek, door de wil van God.
Enige tijd later werd hij diaken gewijd. Van dat moment af legde hij zich volledig toe op vasten, nachtwaken en schriftlezing; daarbij verdiepte hij zich zozeer in een onafgebroken gebed dat hij niet verscheen aan tafel voor het eten met de andere geestelijken. Dat ergerde de aartsdiaken en hij schreeuwde hem toe:
"Of je neemt gewoon de maaltijden met de andere broeders, of je kunt gaan. Het is ongepast dat je weigert te eten met anderen van wie iedereen weet dat je daar wél kerkelijke functies mee deelt!"

2 De dienaar Gods was niet bepaald onder de indruk van deze woorden. Hij liep allang met het brandende verlangen rond zich in de eenzaamheid terug te trekken. Zo verliet hij Bourges en kwam uit in Néris. Daar bouwde hij een kapelletje, geheiligd door de aanwezigheid van enige relieken van Sint Martinus († 397; feest 11 november) en begon er aan kinderen les te geven in letteren. Er kwamen ook zieken naar hem toen, die er prompt genezing vonden; en bezetenen, die bij het uitspreken van zijn naam alleen al verlossing vonden. Maar hij had toch nog niet de eenzaamheid gevonden zoals hij die zocht. Op de plek waar hij nu zat was zijn deugd veel te opzichtig.
Om de plaats te weten te komen, waar hij eigenlijk thuishoorde, schreef hij kleine loterijbriefjes, die hij op het altaar neerlegde; vervolgens bracht hij drie nachten door met waken en bidden met de bedoeling dat God hem zijn wil duidelijk te kennen zou geven. Maar Gods grote goedheid wist natuurlijk te voren al wat Hij met hem wilde. Hij had besloten dat Patroclus kluizenaar zou worden in de eenzaamheid. Daarom liet hij hem het briefje trekken waarop stond dat hij onmiddellijk de eenzaamheid in moest gaan. Hij trok zich terug in een cel en verzamelde een aantal meisjes om zich heen die hij omvormde tot een kloostergemeenschap. Van al wat zijn werk tot dan toe had opgebracht nam hij niets anders mee dan een hark en een hak. Nu trok hij de verlatenheid van de bossen in en bereikte een plek die Moichant heette. Daar bouwde hij voor zichzelf een cel en zette het werk voort waarover wij hiervóór al verteld hebben. Met heel zijn hart was hij bij God. Ook op deze plaats hergaf hij de gezondheid aan een enorm aantal bezetenen, en verjaagde hij demonen door zijn handoplegging en door het kruisteken.

Eens bracht men een bezetene bij hem, die ten prooi was aan een soort razernij; hij sperde zijn mond wagenwijd open, waarbij hij zijn bebloede tanden liet zien, omdat hij alles wat voor zijn mond kwam, aanviel en verscheurde. Drie dagen aan één stuk bracht hij door in gebed voor deze man, en inderdaad wist hij van de Goddelijke Voorzienigheid gedaan te krijgen dat diens razernij kalmeerde, dat zijn levensgevaarlijke houding van hem week en dat hij hem genas door hem de vingers in de mond te steken en aldus de bloeddorstige demon uit hem te verdrijven. Inderdaad had de bedreiging van de onrechtvaardige verleider geen enkele vat op hem.

Juist zoals hij bezetenen wist te reinigen, juist zo hield hij door de macht van het heilig kruis de verschrikkelijkste aanvallen van zich af die de uitvinder van het kwaad in het geniep tegen hem ondernam. Tijdens de pestepidemie, waarover wij al eerder gesproken hebben, deed de duivel zich op slinkse wijze voor als Sint Martinus en bracht valse geschenken naar een vrouw die Leubella heette met de verzekering dat ze het volk zouden redden. Maar zodra men ze aan Sint Patroclus toonde, verdwenen ze door een openbaring van de Heilige Geest. En dat niet alleen, de afschuwelijke veroorzaker van alle kwaad verscheen in eigen persoon aan de heilige en gaf zijn malversaties toe. Het komt inderdaad vaak voor dat de duivel zich voordoet als engel van het licht om op die manier onschuldigen te misleiden.

In zijn 2e brief aan de Korintiërs waarschuwt Paulus ervoor dat de satan zich vermomt als een engel van het licht (2 Korinte 11,14). Volgens de overlevering maakte Sint Martinus dat in zijn leven minstens één keer mee: Legende 10: Hoe Martinus goed en kwaad onderscheidde. 'Martinus blonk ook uit in het onderscheiden van boze geesten. Hij wist ze te doorzien onder al hun vermommingen, het geeft niet of zij nu de gedaante aannamen van Jupiter, Mecurius, Venus of Minerva. Op een dag verscheen hem de duivel in de gedaante van een koning. Hij ging in purper gekleed, droeg een diadeem op het hoofd, was geheel bedekt met goud en edelgesteente. Hij had een rustig gezicht met een lichte glimlach. Na een lange stilte zei hij: "Martinus, herken degene die je aanbidt. Ik ben de Christus. Ik ben op aarde teruggekeerd. En ik wilde het eerste aan jou verschijnen." Martinus antwoordde in het geheel niet. "Martinus, waarom aarzel je nog te geloven? Je ziet me toch? Ik ben de Christus." Op dat moment antwoordde de grote heilige: "Als mijn Heer Jezus op aarde zou terugkeren, zou Hij niet in purper gekleed gaan, en Hij zou zeker geen diadeem op zijn hoofd zetten." Waarop de duivel onmiddellijk verdween, terwijl een afschuwelijke stank de cel van de heilige vervulde. [Naar: Jacobus de Voragine 'Legenda Aurea...'; Sulpicius Severus 24] In zijn Regels voor de Onderscheiding der Geesten in zijn boekje 'De Geestelijke Oefeningen' maakt ook Ignatius van Loyola hier uitdrukkelijk op attent [332].

De boze spande hem allerlei strikken om hem te verhinderen de plek te bereiken van waar hijzelf naar beneden gestort was. Zo gaf hij hem de gedachte in de eenzaamheid te verlaten en in de wereld terug te keren. De heilige voelde hoe het gif zijn hart binnenkroop en bad God dat hij nooit tot iets zou vervallen wat tegen diens wil was. Daarop verscheen hem in zijn droom een engel van de Heer met de woorden: "Als je dan zonodig wilt zien wat er in de wereld te koop is, heb je hier een zuil. Je hoeft er maar op te klimmen om te zien wat zich daar allemaal afspeelt." En inderdaad, in zijn droom zag hij een zuil vóór zich van uitzonderlijke hoogte; hij klom naar boven, vanwaar hij het moorden zag, het stelen, het doden, het plegen van overspel, het bedrijven van wandaden en alle vormen van misdaad die zich op de wereld voordoen. Eenmaal afgedaald sprak hij: "Ik smeek U, Heer, me nooit terug te laten gaan naar al die afschuwelijkheden, die ik al zo lang achter me gelaten had om U te volgen." En de engel die hem verschenen was, zei: "Zoek vanaf nu dan ook niet langer de wereld, anders zou je wel eens met haar kunnen omkomen. Ga liever je bidkapel in om er tot de Heer te bidden. Daar zul je een grote troost vinden op je pelgrimstocht." Binnengegaan in zijn bidkapel vond hij een gebakken steen waarop een afbeelding stond van het kruis van onze Heer. Hij onderkende de aanwezigheid van de Heer en begreep dat dit een onoverwinnelijk verdedigingswerk was tegen de verleidingen van de wereld.

3 Nadien bouwde Patroclus het klooster van Colombier op zo'n vijf mijl afstand van de cel die hij in de eenzaamheid bewoonde.

Colombier ligt niet ver van de stad Montluçon.

Hij verzamelde er een aantal monniken, stelde een abt aan om de kudde kloosterlingen leiding te geven, zodat hij zelf zijn handen vrij hield voor zijn leven in de eenzaamheid. Achttien jaar had hij alles bijeen in de eenzaamheid doorgebracht, toen hij zijn monniken verzamelde en hun meedeelde dat zijn stervensuur nabij was. Hij stierf op hoge leeftijd in geur van heiligheid. Zijn lichaam werd gewassen, op een draagbaar gelegd en naar het klooster overgebracht. Hij had namelijk nog tijdens zijn leven te kennen gegeven daar begraven te willen worden.

Maar de aartspriester van Néris wilde, in gezelschap van een zijn complete geestelijkheid, met alle geweld zijn lijk opeisen om het te begraven in zijn eigen woonplaats; daar had hij immers al die tijd geleefd. In al zijn woede zag hij echter al van verre de verblindend witte glans die over alle ledematen van het lijk lag. Door de wil van God sloeg hem de schrik om het hart. Hij had onmiddellijk spijt van het lichtzinnige plan dat hij had opgevat. Hij voegde zich dus bij degenen die het dodenofficie voor de heilige aan het zingen waren en assisteerde met allen die hij meegenomen had bij de begrafenis in klooster Colombier. Op het graf van de heilige werd een blinde vrouw, Prudentia genaamd, genezen van haar blindheid op het moment dat zij het graf kuste. Zo verging het ook een blind meisje uit Limoges. En ook de bezetenen Lupus, Theodulfus, Rucco, Scopilia, Nectariola en Tachildis. Ook waren er twee meisjes uit Limoges die bevrijd werden van de boze geest die bezit van ze had genomen op het moment, dat ze zich insmeerden met de olie die door de heilige gewijd was. Ja elke dag worden daar door de Heer wonderen bewerkt om het geloof van het volk te versterken: zo laat Hij zijn heiligen delen in zijn eeuwige glorie.'


Bronnen
[266p:91; 390/13p:506; Dries van den Akker s.j./2007.11.07]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen