× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 1944  Josef Müller

Info afb.

Josef Müller, nazi-slachtoffer, Gross-Düngen bij Hildesheim, Duitsland; † 1944.

Feest 11 september.

Bij Benedicta Kempner lezen wij:

'De familie van de terechtgestelde priester bewaart een document, zoals er nog nooit een is geweest in de tweeduizend jaar dat er martelaren vallen als bloedgetuigen voor Christus. Het wordt beschouwd als een kostbaar relikwie ter ere van pastoor Josef Müller. Het is de rekening van Justitie voor zijn onthoofding. Op 19 oktober 1944 zond het openbaar ministerie een gespecificeerde rekening aan de familie:

Onkosten voor de doodstraf en haar voltrekking:DM 300,00
Transportkosten:DM 065,00
Onkosten gevangenschap:DM 083,00
Portikosten:DM 000,36
Totaal:DM 448,46

Moest binnen 8 dagen voldaan worden bij de gerechtskas Berlin-Moabit.

Ter nagedachtenis aan hem luidt elk jaar op 11 september om 13.00 uur - het moment van zijn terechtstelling - de grote klok van de parochiekerk van de heilige Cosmas en Damianus in Gross-Düngen.

Een priester van zijn bisdom schrijft:
"Het zou de moeite waard zijn om alle priesterlevens te beschrijven die in de nazitijd in de concentratiekampen en Hitlergevangenissen vanwege hun geloof hebben moeten lijden. Dat zou een martelarenboek van de 20e eeuw opleveren, dat ongetwijfeld grote indruk zou maken. Hoevelen van ons zullen iets weten van alles wat zo vele priesters in de afschuwelijke jaren hebben moeten verduren. Eén van die velen was ook pastoor Josef Müller..."

Josef Müller werd op 19 augustus 1894 geboren in Salmünster, Hessen-Nassau. Hij onderbrak zijn studie tijdens de Eerste Wereldoorlog om zich aan te melden als vrijwilliger. Hij onderscheidde zich door zijn dappere houding en werd zwaar gewond. Zijn ingrijpende oorlogservaringen vormden de motivatie om voor het ambt van zielzorger te kiezen.

Na zijn studies werd hij op 11 maart 1922 priester gewijd, en kreeg al gauw de gelegenheid om op lastige pastorale posten zijn dienstbaarheid te tonen. Hij stond achtereenvolgens te Duderstadt, Hannoversch-Münden, Celle en Wolfenbüttel; in 1931 werd hij pastoor te Bad Lauterberg. In 1934 werd hij naar Süpplingen gestuurd, in 1937 naar Heiningen en uiteindelijk kwam hij naar Gross-Düngen bij Hildesheim. Op al die plekken toonde hij zich een warme en hulpvaardige pastoor: echt een toegewijde vader voor zijn kinderen, in het bijzonder voor de jeugd. Een begripvol en goed mens.

Hij was onder alle omstandigheden openhartig en moedig, vooral in geloofszaken; dat trok al gauw de aandacht van de Gestapo. Dat vormde het begin van de controles door de Gestapo van zijn preken en van al zijn doen en laten. Toch duurde het nog tot 1944 voor ze een aanleiding vonden om officieel te kunnen ingrijpen.

Het ging om een ziekenbezoek van de pastoor bij een parochiaan. Er werd beweerd dat de pastoor bij die gelegenheid opruiende opmerkingen zou hebben gemaakt. Hij zou verteld hebben dat een zwaar gewonde verzocht zou hebben nog eenmaal degenen te mogen zien voor wie hij op het punt stond zijn leven te geven. Men plaatste dus rechts en links van hem een portret van de Führer en van de rijksmaarschalk. De stervende zou toen gezegd hebben: "Nu sterf ik als Christus." Deze verdenking leidde tot aanklacht 5 J 170/44 voor het volksgerechtshof; zij werd behandeld op 28 augustus 1944.

Met het in behandeling nemen van de aanklacht kwam een geleidelijke, pijnlijke verandering op gang: hij groeide uit van een wanhopige, gebroken gevangene tot de heldhaftige afmetingen van geloofsgetuige voor Christus, die welbewust zijn leven voor Hem opofferde. Vanaf het moment dat de rechtszaak begon was het een ongelijke strijd: aan de ene kant de gerechtelijke nazi-terreur van een rauw brullende voorzitter met zijn aanvallen en schimpscheuten op de kerk en haar vertegenwoordigers; aan de andere kant de waardige, stille soldaat van Christus, Josef Müller, met geen andere wapens dan moed, waarheid en geloof.

Deze verdachte had volgens Freisler de 'goden' van het nazi-regime gelasterd; er kon dus geen genade voor hem zijn, zelfs niet een zakelijke rechtszitting of het horen van getuigen à décharge die zich intussen vrijwillig gemeld hadden om hun pastoor te verdedigen. Het "gerechtshof meende dat alles wat die mensen kwamen vertellen, wel zou kloppen; dus hoefden ze verder niet gehoord te worden..." De enige getuige à charge, de aanbrenger van de zaak, hoefde niet eens een eed af te leggen.

De openbare aanklager van het openbaar ministerie had maar een paar muinuten nodig om de doodstraf te eisen. Aan de advocaat werd gevraagd het kort te houden. Na kort beraad volgde inderdaad de terdoodveroordeling wegens ondermijning van de militaire weerbaarheid. Voor deze grond is geen enkel objectief of subjectie bewijs voorhanden wat op zich al voldoende is om de justitiële terreur en willekeur aan te tonen.

Dit eindoordeel is enkele jaren geleden teruggevonden. Het luidt woordelijk:

Afschrift.
1 L 234/44
5 J 170/44
In naam van het Duitse volk!
In de strafzaak tegen pastoor Josef Müller uit Grossdüngen, Kreis Marienburg/Hannover, geboren de 19e augustus 1893 in Saalmünster, Kreis Schlüchtern, gedurende deze zaak verkerend in gevangenschap,
wegens ondermijning van de militaire weerbaarheid, heeft het volksgerechtshof, eerste senaat, de op 11 juli 1944 gedateerde aanklacht van de vertegenwoordiger van de openbaar aanklager namens het openbaar ministerie in de zitting van 28 juli 1944, waaraan deelnamen:

-Dr Freisler, voorzitter en president van het volksgerechtshof,
-Kammergerichtsrat Rehse,
-Abschnittsleiter Ahmels,
-Stadtrat Kaiser,
-Abschnittsleiter Bartens,
en als vertegenwoordiger van het openbaar ministerie:
-Amtsgerichtsrat Krebs,
rechtgesproken:
Josef Müller, een katholiek priester, heeft twee volksgenoten verteld: dat een gewonde op zijn sterfbed zou hebben gevraagd nog eenmaal degenen te mogen zien voor wie hij sterven moest; men plaatste dus een portret van onze Führer en van de rijksmaarschalk rechts en links van hem; vervolgens zou hij gezegd hebben: "Nu sterf ik als Christus".
Door deze en andere ondermijnende opmerkingen heeft hij de inzet om met alle kracht voor de overwinning te vechten, aangetast.
Zo is hij voor altijd een eerloos mens geworden.
Hij wordt met de dood bestraft.'

Tot op heden is Josef Müller niet heilig of zalig verklaard.


Bronnen
[Kem.1966p:301-310; Tor.1987; Dries van den Akker s.j./2006.04.30]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen