× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 6e eeuw voor Christus  Ezechiel Profeet

Info afb.

EzechiŽl (ook Ezekel, EzekiŽl, HezekiŽl, IezekiŽl of Jehezkel) Profeet; Ü 6e eeuw vůůr Christus.

Feest 10 april [AAS] & 21 (oosterse kerk) & 23 juli [Mty.2001]

Hij is de derde van de drie grote profeten uit het Oude Testament.

De drie grote profeten zijn: Jesaja, Jeremia, EzechiŽl.
In de Katholieke Traditie wordt ook DaniŽl vaak tot de grote profeten gerekend, maar zijn bijbelboek behoort volgens de Joodse opvatting tot de Geschriften.

Zijn vader heette Buzi en maakte deel uit van de priesterklasse in Jeruzalem. Toen de BabyloniŽrs in 597 Jeruzalem onder de voet liepen en koning Jojakin als balling meenamen naar Babel, behoorde ook EzechiŽl tot diens gevolg. Hij werd ondergebracht in een gevangenenkolonie, Tell Abib, gelegen aan de rivier de Kebar.

In het vijfde jaar van zijn ballingschap begon hij visioenen te zien en werd hij geroepen tot het profetendom (EzechiŽl 01,01-03,15). De profeet moest niet alleen met woorden Gods boodschap aan het volk doorgeven, maar ook met symbolische daden. Zo doet hij er soms uitdrukkelijk het zwijgen toe (EzechiŽl 03,26; 33,22); ja, bij de dood van zijn vrouw mag hij zelfs de voorgeschreven rouw niet in acht nemen; prompt komen zijn landgenoten vragen of dat soms een profetische betekenis heeft (EzechiŽl 24,15-24).

Herhaaldelijk zegt hij dat hooggeplaatste landgenoten hem kwamen opzoeken om het woord van de Heer te vernemen (EzechiŽl 08,01; 14,01; 20,01). Natuurlijk wordt zijn verkondigingbepaald door de situatie van de ballingschap. Zo probeert hij uit te leggen dat hij de Ballingschap ziet als een straf van God voor de ontrouw van zijn volk. Beroemd is de toespraak waarin hij God achtereenvolgens vergelijkt met een tedere pleegvader en eerbiedige minnaar van het volk:

EzechiŽl 36
1 Het woord van Jahwe werd tot mij gericht:
2 Mensenkind, houd Jeruzalem haar gruweldaden voor ogen.
3 Ge moet zeggen: Zo spreekt Jahwe de Heer tot Jeruzalem: Naar afkomst en geboorte ben je uit het land van Kanaan; je vader was een Amoriet, je moeder een Hethitische.
4 Toen je geboren was werd je navelstreng niet doorgeknipt; je werd niet met water gewassen, ter reiniging; je werd, toen je ter wereld kam, niet met zout ingewreven noch in doeken gewikkeld.
5 Niemand had medelijden met je of ontfermde zich over je om voor je te zorgen. Op de dag van je geboorte werd je in het vrije veld te vondeling gelegd, omdat men aan jouw leven geen waarde hechtte.
6 Toen kwam Ik langs je en toen Ik zag hoe je daar lag te trappelen in je bloed, sprak Ik tot je: ' Blijf leven! Blijf leven! ' sprak Ik tot jou, terwijl je lag te trappelen in je bloed.
7 Onder mijn zorgen groeide je op als een veldbloem; je groeide op, werd groot en zeer schoon; je borsten werden rond en je haar groeide, maar je was nog altijd moedernaakt.
8 Toen Ik weer langs kwam, zag Ik dat voor jou de tijd van de liefde was gekomen. Ik spreidde de slip van mijn mantel over je uit en bedekte je naaktheid. Ik zwoer je trouw en ging een verbintenis met je aan; je werd de mijne, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
9 Ik waste je met water, reinigde je van het bloed en zalfde je met olie.
10 Ik kleedde je in bonte kleren, gaf je sandalen van het fijnste leer, bond je een linnen hoofdband om en gaf je een sluier van fijne stof.
11 Ik tooide je met sieraden, deed armbanden om je polsen en een snoer om je hals.
12 Ik gaf je een ring in je neus, hangers aan je oren en een diadeem op je hoofd.
13 Je was getooid met goud en zilver; je kleding was van linnen, fijne stof en bonte weefsels; je voedsel werd bereid met het fijnste meel, met honing en olie. Je werd buitengewoon mooi, een koningin gelijk.
14 De roem van je schoonheid verspreidde zich onder de volken, want volmaakt was de luister die Ik je verleend had, luidt de godsspraak van Jahwe de Heer.
15 Maar je schoonheid maakte je al te vrijmoedig en je ging munt slaan uit je faam; je bekoorlijkheid bood je aan iedere voorbijganger die maar wilde te koop aanÖ

In het vervolg wordt IsraŽls ontrouw beschreven. EzechiŽl neemt niets terug van zijn beeldspraak. Integendeel. Des te harder en rauwer komt de teleurstelling van God aan bij lezer en toehoorder.

Even beroemd is het aangrijpende visioen van de botten. De moedeloze ballingen van IsraŽl worden vergeleken met dorre beenderen op een knekelveld. Er zit geen greintje leven meer in. Maar God gaat er leven inbrengen. Door de ballingen naar huis terug te laten keren. Dit wordt die arme ballingen als een toekomstvisioen van hoop in het vooruitzicht gesteld:

EzechiŽl 37
1 De hand van Jahwe kwam over mij; zijn geest nam mij mee en zette mij neer in een dal dat vol beenderen lag.
2 Hij leidde mij er in alle richtingen tussendoor, en ik zag hoeveel er over heel het dal wel lagen en hoe dor ze waren.
3 Daarop vroeg Hij mij: ďMensenkind, zouden deze beenderen nog tot leven kunnen komen?ď Ik antwoordde: ďJahwe mijn Heer, dat weet Gij alleen.Ē
4 Toen zei Hij: ďProfeteer over deze beenderen en zeg: Dorre beenderen, luister naar het woord van Jahwe.
5 Dit zegt Jahwe de Heer tot deze beenderen: Ik ga de levensgeest in u brengen, en ge komt weer tot leven.
6 Ik leg pezen op u, bekleed u met vlees en overtrek u met een huid; dan schenk Ik u de levensgeest en ge komt weer tot leven. Dan zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben.Ē
7 Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. En zodra ik begon, ontstond er een gedruis: de beenderen voegden zich aaneen, elk op zijn plaats.
8 En ik zag hoe er pezen op kwamen en vlees en hoe ze met een huid overtrokken werden. Maar de levensgeest was er nog niet in.
9 Toen zei Hij tot mij: ďProfeteer tot de levensgeest, profeteer, mensenkind en zeg tot de levensgeest: Dit zegt Jahwe de Heer: Kom, van de vier windstreken, levensgeest, en blaas in deze gevallenen: dat ze weer leven.Ē
10 Ik profeteerde zoals mij opgedragen was en de levensgeest kwam erin. Ze werden weer levend en gingen overeind staan: een onoverzienbaar leger.
11 Daarop zei Jahwe tegen mij: ' Mensenkind, deze beenderen zijn het volk Israel. Bij hen leeft de gedachte: Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is vervlogen, het is met ons gedaan.
12 Profeteer daarom en zeg tegen hen: Dit zegt Jahwe de Heer: Ik ga uw graven openen; Ik wek u in groten getale daaruit op en voer u terug naar IsraŽls grond.
13 En als Ik uw graven open en u in groten getale daaruit opwek, dan zult ge erkennen dat Ik Jahwe ben.
14 Ik schenk u mijn geest, zodat ge weer leeft, en laat u op uw eigen grond gaan wonen. Dan zult ge erkennen dat Ik, Jahwe, doe wat Ik zeg, luidt de godsspraak van Jahwe.Ē

Door zijn prediking hield hij het geloof levend onder zijn volk en bereidde hen aldus voor op de terugkeer naar het Land.

Er bestaat een overlevering die weet te vertellen dat hij door de toenmalige koning van Juda werd gedood, omdat hij hem beschuldigde van afgodendienst. Naar het schijnt ligt hij begraven niet ver van Bagdad.

Waarom het Vaticaans Martyrologium uit 2001 hem op 23 juli heeft geplaatst, is niet duidelijk.


Bronnen
[AASĽ04.10; Adr.z.j./7Ľ07.21; Mty.2001Ľ07.23; Bo REICKE & Leonhard ROST ĎBijbels Historisch Woordenboek IIí Utrecht/Antwerpen, Spectrum 1969 Aulareeks 392; Dries van den Akker s.j./2008.04.09]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen