× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 304  Ireneus van Sirmium

Ireneus van Sirmium, Pannonië; bisschop & martelaar; † 304.

Feest 24 & 25 maart & 6 april & 23 augustus (Grieks orthodoxe kerk).

Sinds de kalenderwijzigingen van het Tweede Vaticaans Concilie (1969) geplaatst op zijn sterfdag 6 april. Daarvóór werd hij in het westen vereerd op 25 maart; omdat echter het feest van Maria Boodschap belangrijker was, soms ook de dag tevoren gevierd.

Hij was bisschop van Sirmium (later Sirmik geheten, thans Mitrovitz) in Pannonië (= nagenoeg het huidige Hongarije). Tijdens de christenvervolgingen onder keizer Diocletianus onderging hij op heldhaftige wijze de marteldood. De Acta van zijn proces zijn bewaard gebleven. Volgens deskundigen zijn ze authentiek.

Nadat hij was voorgeleid aan landvoogd Probus, sprak deze: “De goddelijke wetten verplichten iedereen aan de goden te offeren.”

In de wereld van het Romeinse Rijk stonden bij alle openbare gebouwen godenbeelden (waaronder dat van de keizer) waar vuren voor brandden. Er stonden bakken met wierookkorrels naast zodat iedere bezoeker – meestal gedachteloos  - in het voorbijgaan enkele korrels op het vuur kon gooien.

Ireneus antwoordde: “Wie offert aan de goden zal van de aardboden verdelgd worden en in het vuur van de hel terecht komen.”
Probus: “Het bevel van de goedertierenste keizers schrijft voor dat men offert aan de goden; weerspannigen worden streng gestraft.”
Ireneus: “De wet van mijn God schrijft voor dat het beter is folteringen te ondergaan dan te offeren.”
Probus:  “Het is offeren of gefolterd worden.”
Ireneus: “U kunt mij geen groter genoegen doen, want op die manier zal ik deel krijgen aan het lijden van mijn Verlosser.”
De rechter werd het zat en leverde Ireneus over aan de beulen om hem de foltering van de pijnbank toe te dienen. Na enige tijd vroeg hij: “En, Ireneus? Wat zeg je nu? Wordt het geen tijd om te offeren?”
Waarop Ireneus antwoordde: “Daar ben ik mee bezig. Ik draag een offer op aan mijn God omdat ik op deze manier doe wat ik mijn hele leven heb gedaan: zijn heilige Naam belijden.”

Nu liet Probus familieleden toe bij zijn slachtoffer in de hoop dat zij hem met hun verdriet ervan zouden kunnen overtuigen ermee op te houden. Zijn kinderen pakten hem bij zijn voeten en smeekten hem medelijden te hebben. Zijn vrouw omhelsde hem en zei dat zij en de kinderen hem niet konden missen. Zijn moeder schreeuwde hartverscheurend; evenals het huispersoneel, de vrienden en de buren die aanwezig waren. Maar het enige wat hij erop zei was het woord van de Heer: “Wie mij voor de mensen verloochent, zal ik verloochenen bij mijn Vader in de hemel” [Matteus 10,33].

Probus merkte op: “U kunt toch niet ongevoelig blijven voor zoveel blijken van tederheid en liefde? Al die tranen? Het is geen teken van zwakte als een held zich door dat alles laat vermurwen. Breng dus een offer; dan zult u niet op veel te jonge leeftijd hoeven te sterven.”
Maar Ireneus zei: “Ik offer niet, zodat ik niet verloren zal gaan.”
Daarop liet Probus hem in de gevangenis zetten.

Na enige dagen werd Ireneus er weer uitgehaald. De landvoogd zat op de rechterstoel en liet hem vóórgeleiden: “Het is tijd om te offeren. Op die manier zult u ontkomen aan de dreigende folteringen die u anders te wachten staan.”
Ireneus: “Doe wat u is opgedragen. Wachten op mij heeft geen zin.”

Nadat hem een aantal stokslagen waren toegediend, sprak hij: “Ik houd vast aan mijn God. Van jongs af aan heb ik geleerd Hem offers en te brengen en niet aan de goden die door beitel en hamer zijn gemaakt.”
Probus:  “Spaar dan minstens je leven. De folteringen die je hebt ondergaan zijn al voldoende eerbetoon geweest aan je God. Dus red je leven.”
Ireneus: “Dat is precies wat ik doe. Ik volg dus al uw advies. Zo zal ik uit handen van mijn God het eeuwig leven ontvangen als beloning voor de folteringen die u me aandoet; ik voel er trouwens nauwelijks iets van.”
Probus:  “Bent u getrouwd?”
Ireneus:  “Nee.”
Probus:  “Hebt u kinderen?”
Ireneus:  “Nee.”
Probus:  “Hebt u familie?”
Ireneus:  “Die heb ik niet meer.”
Probus:  “En wie waren dan die mensen die bij het eerste verhoor zoveel verdriet hadden?”
Ireneus: “Onze Heer Jezus Christus heeft gezegd: ‘Wie zijn vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig. En wie zijn zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig.’ Als ik dan opzie naar de hemel, en daar de schoonheid aanschouw van God die ik aanbid, en mij de beloften te binnen breng die God gedaan heeft voor degenen die Hem trouw in liefde dienen, dan valt al het andere op aarde daarbij vergeleken in het niet, en dan vergeet ik dat ik vader, echtgenoot, zoon, vriend en meester ben.”
Probus:  “Maar u bent dat allemaal wél. Breng dus een offer omwille van hen.”
Ireneus: “Mijn kinderen zullen met mijn dood niet veel verliezen. Ik laat hun een vader na in God die zij net als ik aanbidden. Er staat u dus niets in de weg om de bevelen uit te voeren die u hebt ontvangen.”
Probus:  “Jongeman, kom tot jezelf. Offer; anders zie ik mij genoodzaakt u te veroordelen.”
Ireneus: “Ik heb u al eerder gezegd dat u mij daar het grootste genoegen mee doet.”
Probus:  “Het zij zo. Wij bepalen dat Ireneus voor ongehoorzaamheid jegens de keizerlijke bevelen in de rivier geworpen zal worden.”
Ireneus: “Na al die bedreigingen had ik iets veel ergers verwacht. Ik vind dat u mij minderwaardig behandelt en onrecht doet. U ontneemt mij de kans aan de wereld te laten zien dat christenen met een levend geloof niet terugdeinzen voor de dood, op welke gruwelijke manier die ook wordt aangedaan.”

Verbijsterd door die reactie ontstak Probus in woede en voegde aan de bepaling toe dat Ireneus eerst zou worden onthoofd en daarna in de rivier geworpen. Nu werd Ireneus naar de Dianabrug gebracht. Daar trok hij zelf zijn bovenkleed uit, knielde neer en sprak met gespreide armen een laatste gebed: “Heer Jezus, U hebt willen sterven voor de mensen. Geef dat de hemel opengaat en dat de engelen de ziel van uw dienaar Ireneus in ontvangst komen nemen; hij geeft zijn leven voor de glorie van uw naam, en voor het welzijn van de kerk van Sirmium.”

Een houw van het zwaard scheidde zijn hoofd van de romp.


Bronnen
[Bdt.1925; HA1.1838p:477.478; Lin.1999; Ru2.1818p:327vv; Dries van den Akker s.j./2009.05.22]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen