Overzicht BM  m Gastenboek m Vertel verder m Contact
Andreas 

        De website met meer dan 5535 heiligen, 4226 voornamen en 8451 afbeeldingen        

WelkomHeiligenMissaalheiligenHeiligenkalenderHeiligen op naamPatronatenVoornamen SJ Meer

† ca 287  Mauritius van Agaunum 


Info afbeeldingen

Mauritius (ook Maurice) van Agaunum & het Thebaanse Legioen, Saint-Maurice d’Agaune, Wallis, Zwitserland; martelaren; † ca 287.

Feest (22 februari: oosterse kerk: 'opening relieken Constantinopel') & 22 september.

Onder invloed van Germaanse guerilla-activiteiten aan de Gallische grenzen, stuurde Keizer Maximianus Hercules in het jaar 287 of daaromtrent een legioen van Opper-Egypte naar de grenzen met Gallië. Onderweg werd halt gehouden bij het plaatsje Agaunum in de Zwitserse Alpen. Bij die gelegenheid zouden de gebruikelijke offers gebracht worden om de overwinning van de Romeinse beschermgoden af te smeken en om eer en trouw aan de goddelijke keizer te bewijzen. Maar omdat het legioen uit christensoldaten bestond, weigerden dezen deel te nemen aan de openbare heidense offers.

Volgens een andere lezing zouden ze geweigerd hebben om onschuldige mensen aan te vallen. Geen enkele poging om ze tot andere gedachten te brengen had resultaat. Zodat ze uiteindelijk allemaal werden gedood vanwege ontrouw aan de Romeinse Staat: dienstweigering. Tot hen behoorden Mauritius, begraven te Agaunum, dat sindsdien naar deze martelaar Saint-Maurice heet; voorts Exuperius, Candidus, Vitalis, Innocentius, twee Victors, van wie er één bijzonder vereerd wordt te Xanten, Duitsland; Alexander, vereerd te Bergamo, Italië; en Gereon te Keulen. Zij staan ook bekend als de Martelaren van het Thebaanse Legioen.

Rond het jaar 450 stelde bisschop Eucherius van Lyon († ca 455; feest 16 november) de martelingen van het Thebaanse Legioen op schrift.

In de 13e eeuw gaf Jacobus de Voragine († 1298; feest 13 juli) zijn Legenda Aurea (= 'Gulden Legende') uit. Hierin lezen we letterlijk:

Mauritius was de bevelhebber van het zogeheten Thebaanse Legioen. Het heette zo vanwege de stad Thebe, waar de legionairs vandaan kwamen. Het was een rijke, welvarende stad. De bewoners ervan hadden de naam groot van postuur te zijn, moedig in de strijd, en intelligent in hun wijsheid. Thebe bezat honderd poorten en lag aan de Nijl. Deze rivier heette ook wel Gyon; het is één van de rivieren waarvan de bron lag in het Aards Paradijs. Jezus' broer Jakobus heeft nog in Thebe gepreekt. Vandaar dat de Thebanen dan ook stevig geworteld waren in het geloof en de leer van Christus.
Welnu, het was het jaar 277. Diocletianus en Maximianus hadden het plan opgevat om het christendom over de hele wereld uit te roeien.

Deze keizers regeerden van 285-305. Met 277 geeft Jacobus dus een foutief jaartal. Geleerden zijn het er over eens dat het waarschijnlijk 287 moet zijn; soms wordt geopperd 286.

Ze stuurden een brief naar alle delen van het Rijk, waar christenen woonden. Daarin schreven ze: "Als de christenen zich niet tot de eredienst van de afgoden bekeren, dan zullen hun de verschrikkelijkste straffen te wachten staan." Maar de christenen stuurden de herauten weer heen zonder hun een afdoend ant-woord te hebben gegeven. Dit maakte de beide keizers woedend. Ze verordon-neerden dat alle gezonde mannen onder de wapenen geroepen moesten worden en zich in Rome moesten komen melden om ingelijfd te worden bij de keizerlijke troepen. De Thebanen gingen van het christelijke standpunt uit dat je aan de keizer moet geven wat van de keizer is. Ze formeerden dus een legioen dat bestond uit zesduizend, zeshonderd zesenzestig man. Dit stuurden ze naar Rome, zodat het door de beide keizers naar believen voor elke strijd kon worden ingezet. Op voorwaarde dat ze niet de wapenen tegen medechristenen zouden opnemen.
Bevelhebber van dit legioen was Mauritius. Zijn standaarddragers waren Candidus, Innocentius, Exuperius, Victor en Constantinus.
Diocletianus plaatste het Thebaanse Legioen onder de leiding van zijn collega Maximianus. Deze trok op naar Gallië met een reusachtig leger. Bij hun vertrek had Paus Marcellinus de legionairs nog aangespoord om eerder hun leven te geven dan ontrouw te worden aan hun christelijk geloof.

Marcellinus was paus van 296 tot 304. Ook hier schuilt dus een onjuistheid. Gesproken naar de huidige historische maatstaven had het Marcellinus’ voorganger Eutychius moeten zijn (283-296).

Na de doortocht door de Alpen beval de keizer dat alle legioenen aan de goden zouden offeren en daarbij met zijn allen tegelijk de eed zouden afleggen dat ze de opstandelingen te lijf zouden gaan, en dan met name de christenen. Toen het Thebaanse Legioen dat hoorde, maakte het zich los van de rest van het leger en sloeg zo'n acht kilometer verder het kamp op, vlakbij het schitterende plaatsje Agaunum, gelegen aan de Rhône.

Het huidige Saint-Maurice in Wallis, Zwitserland.

Maximianus maakte zijn opwachting om hun alsnog te bevelen de offers te brengen aan de goden tegelijk met de rest van het leger. Maar de legionairs maakten hem duidelijk dat ze daar niet aan konden beginnen, gegeven het feit dat ze zelf christen waren. De keizer was buiten zichzelf van woede en brulde:
"Laat die verraders dan weten dat ik niet alleen mijzelf wil wreken op ze, maar ook mijn goden!"
Daarop stuurde hij een ander legioen op het Thebaanse af met de opdracht elke tiende opstandeling het hoofd af te slaan. Met vreugde staken de slachtoffers hun nek uit; ze betwistten onder elkaar zelfs de eer van het martelaarschap.

Toen richtte Mauritius zich op temidden van zijn mannen met de woorden:
"Ik feliciteer jullie van harte dat elk van jullie bereid is om voor Christus te sterven. Ik heb het zonder verzet aangezien dat onze collega's ter dood werden gebracht. Ik nam een voorbeeld aan Christus die immers tegen Petrus heeft gezegd zijn zwaard weer in de schede te steken. Maar nu wij om ons heen de lichamen van onze broeders zien liggen en onze mantels rood gekleurd zijn door hun bloed: laten wij hen nu op onze beurt volgen in het martelaarschap."
Met toestemming van het hele legioen liet hij vervolgens deze boodschap naar de keizer brengen:

"Keizer, wij zijn uw soldaten. Wij hebben de wapenrok aangetrokken om de openbare orde te verdedigen. Maar verraders zijn wij niet, en evenmin lafaards. Er is echter niets dat ons kan afbrengen van onze trouw aan het geloof in Christus."
Bij het horen van dit bericht gaf de keizer bevel het Legioen nog eens te decimeren. En dat gebeurde. Nu stond daar de standaarddrager Exuperius rechtop temidden van zijn mannen, de standaard nog fier omhoog.
Hij sprak:
"Onze glorieuze aanvoerder Mauritius heeft ons verteld over de overwinning van onze gestorven collega's. Ook ik, Exuperius, heb de wapens niet opgenomen om me te weer te stellen tegen deze agressie. Werpt dus nu allemaal uw wapens op de grond, zodat we van nu af alleen nog maar gewapend zijn met de deugden van ons christengeloof."

Daarna zond hij met instemming van alle anderen deze boodschap naar de keizer:
"Keizer, wij zijn weliswaar uw slaven, maar wij zijn tegelijk slaven van Christus. U zijn wij de militaire dienst verplicht, aan Hem de zuiverheid van ons hart. Van u krijgen we loon naar werken, van Hem hebben wij het leven zelf ontvangen. Wij zijn dus bereid alle folteringen te ondergaan liever dan ons geloof in Hem te verloochenen."

Daarop beval de keizer het hele Legioen uit te roeien, zodat er niet één aan de dood zou ontkomen. Zo werden Christus' strijders omsingeld door duivelse strijders. Ze werden geworgd, onder paardenhoeven vertrapt..., kortom aan Christus toegewijd door een glorieus martelaarschap.

Toch stond God het toe dat er een aantal legionairs wist te ontsnappen. In de streken waar ze uiteindelijk terecht kwamen, preekten ze de naam van Christus. Van hen begaven zich Solutor, Adventor en Octavus naar Turijn; Alexander kwam in Bergamo terecht; Secundus bracht het evangelie in Ventimiglia evenals de gelukzalige Constans, Victor en Ursus en nog anderen.

De beulen maakten zich onmiddellijk meester van de buit om die onder elkaar te verdelen. Ze zaten er juist goed van te eten, toen er een oude man langs kwam. Hij heette Victor. Ze nodigden hem uit om er bij te komen zitten en een hapje mee te eten. Hij vroeg hun hoe ze het voor elkaar kregen om lekker te eten, terwijl er zoveel doden om hen heen lagen. Toen kreeg hij te horen dat het allemaal christenen waren die stuk voor stuk het slachtoffer waren geworden van hun geloof. Daarop verzuchtte de grijsaard dat hij er heel wat voor had willen geven als hij op dezelfde manier als die mannen zijn leven mocht bekronen. De beulen hadden door dat ze met een christen van doen hadden en worgden hem ter plekke.
Veel later deden Maximianus en Diocletianus afstand van hun keizerlijke waardigheden. Dat gebeurde op dezelfde dag: Maximianus te Milaan, Diocletianus te Nicomedië. Ze droegen het keizerschap over aan drie jongemannen: Constantius, Maximus en Galerius. Maar Maximianus verlangde naar macht en bereidde een staatsgreep voor. Constantius wist hem te pakken te krijgen, waarop Maximianus opgehangen werd en aldus aan zijn eind kwam.

Het lijk van de legionair Innocentius was in het water van de Rhône terecht gekomen. Het werd uit het water gehaald en tezamen met andere lichamen plechtig begraven in de plaatselijke kerk; daaraan deden mee Domitianus, bisschop van Genève, Gratus, bisschop van Aosta († ca 600; feest 7 september) en Protasius.

Weer schijnt de verteller zich niet te bekommeren om de historische juistheid van zijn verhaal. Het is hem er blijkbaar meer om te doen zijn verhaal te versieren met herkenningspunten die alle getuigen van een diep-doorleefd geloof. Dat doet hij door ‘name-dropping’. Gradus van Aosta was een bekende heilige. Dat hij drie eeuwen later leefde, was daarbij even niet van belang.

Aan de bouw van die kerk was een heidens handwerksman verbonden. Als het zondag was, werkte hij in zijn eentje door, terwijl zijn collega's de dag des Heren vierden. Bij zo'n gelegenheid verscheen het hele Legioen van heiligen aan de man. Het maakte hem verwijten dat hij de dag des Heren ontheiligde door bezig te zijn met materiële dingen terwijl hij bezig diende te zijn met geestelijke zaken. Onmiddellijk daarop legde die werkman zijn gereedschap neer, rende naar de kerk en vroeg daar of hij christen mocht worden.

Verering & Cultuur
Mauritius is patroon van de soldaten (infanterie), wapensmeden, kooplieden, verfmakers en glasschilders (waarschijnlijk vanwege zijn gekleurde huid: hij was immers een Moor, Noord-Afrikaan; vgl. de naam voor het land Mauretanië!) of omdat hij meestal werd afgebeeld in een rode mantel. Vermoedelijk vanwege datzelfde attribuut - de rode mantel - is hij ook patroon van de doekenwevers, hoedenmakers, blekers, wassers en stomers.

Hij wordt aangeroepen ter bescherming van de wijnstokken en in de strijd; ter bescherming tegen vijanden van het geloof, tegen bezetenheid, jicht, oorpijnen; en bij paardenziektes.

Hij wordt afgebeeld in soldatenkledij of ridderuitrusting met lans, zwaard en schild (soms met drie moorse hoofden, als verwijzing naar zijn metgezellen); dikwijls ook met een vaantje waarop dan zeven sterren te zien zijn; vaak heeft hij een donkere huidskleur overeenkomstig zijn naam. In Mauritius' soldaten- of ridderuitrusting weerspiegelt zich geregeld de dracht van de actuele soldaten- of ridderstand. Men zou zelfs aan de hand van de afbeeldingen uit de achtereenvolgende eeuwen een geschiedenis van die dracht kunnen schrijven...  De Bourgondische koning Sigismund (later zelf als heilige vereerd; † 524, feest 2 mei) liet voor Mauritius een klooster bouwen aan de Rhône, langs een drukke handelsroute: Saint-Maurice (d’Agaune). Zijn rijkbewerkte reliekschrijn uit de 12e à 13e eeuw wordt er nog altijd vereerd. Van daaruit verbreidde zich de verering van Mauritius over heel Europa. Bovendien werd hij door zijn krijgshaftig voorkomen patroon van het Rijk van Karel de Grote later ook van het Bourgondische Rijk; een reliekenkistje te Xanten verwijst naar Mauritius' patronaat van de Bourgondische koningen: in het midden aan de voorkant een zegenende Christus, aan de achterzijde Mauritius met vaandel, voor het overige (veronderstelde) gezellen Florentius, Candidus, Mallusius en Cassius. In de tussentijd meenden ook de kruisvaarders in deze krijgshaftige heilige een passende patroon gevonden te hebben.

In Nederland vinden we Mauritiuskerken te Schin op Geul en Silvolde; vóór de Reformatie waren ook de kerken in de Friese plaatsen Hidaard, Irnsum, Oldeholtwolde, Idsega en IJlst aan Mauritius toegewijd (hoewel het bij de laatste twee niet zeker is of het toch niet een Martinuskerk was). In Duitsland vinden we Mauritiuskerken o.a. te Augsburg Coburg, Hildesheim, Ingolstadt, Keulen, Konstanz (kapel) en Magdeburg (waar hij het patronaat deelt met Catharina. De relieken van Mauritius en zijn gezellen werden er in 941 - of 961 - in feestelijke processie naar toe gebracht. Voor een legende van Mauritius' kerk te Magdeburg, waar Maria en Mauritius een belangrijke rol spelen: zie hieronder). Ook in Siegburg bij Bonn was Mauritius één van de patroons der kerk. In de kerk van Halberstadt en in de kloosterkerk van het Zuid-Duitse Hirsau bevond zich sinds de middeleeuwen een Mauritiusaltaar. Sinds de 16e eeuw bezat de Duitse stad Halle een zilveren reliekschrijn van Mauritius in de vorm van een vaandel, verwijzing naar zijn soldateske afkomst. In Nürnberg en omgeving waren in de middeleeuwen drie afbeeldingen van Mauritius en zijn Gezellen te vinden. In Frankrijk komt hij in verschillende plaatsnamen voor; in Angers is hij patroon van een 13e-eeuwse kerk. In de eerste helft van de 12e eeuw kwam paus Leo IX hoogstpersoonlijk naar Metz om de kerk in te wijden; daarin was al een altaar te vinden aan Mauritius gewijd. Tenslotte is hij ook patroon van de beroemde cisterciënzerabdij te Clairvaux, Luxemburg.

Het schijnt dat er in Nederland minstens twee gilden naar hem zijn genoemd, te Goirle en te Strucht (Limburg).

In de Legenda Aurea worden nog andere legendes verteld die handelen over de verering van Sint Mauritius:
Er was eens een vrouw die haar zoon had toevertrouwd aan de abt van het St-Mauritiusklooster in Valais. Dat is de plaats waar de heilige martelaren rusten. Halverwege de studie stierf de jongen. Zijn moeder was ontroostbaar; ze huilde dag en nacht. Toen verscheen haar Sint Mauritius met de woorden:
"Huil niet om uw zoon als betrof het een dode, maar weet dat hij leeft temidden van ons. Wilt u het bewijs? Sta dan morgen vroeg op om het ochtendofficie mee te maken, en hou dat uw hele verdere leven vol. Dan zult u tussen de stemmen van de psalmzingende monniken de stem van uw jongen horen."
En inderdaad hoorde die moeder elke ochtend de stem van haar zoon meezingen met de monniken in het koor.

Koning Gontram († 592; feest 28 maart) had afstand gedaan van alle werelds vertoon en zijn bezittingen verdeeld onder de armen en de kerken. Hij stuurde een priester naar Saint-Maurice met de vraag of hij een paar relieken van de heilige legionairs kon krijgen. Toen de priester met zijn relieken op de terugweg was, werd hij op het Meer van Lausanne overvallen door een hevig noodweer. De boot dreigde zelfs te zinken. Maar hij plaatste de reliekschrijn op de golven, waarop de elementen onmiddellijk tot bedaren kwamen.

In 765 was bisschop Chrodegang van Metz († 766; feest 6 maart) naar Rome geweest om relieken te halen van de heilige martelaren Gorgonius, Nabor en Nazarius. Hij wilde ze aan de kloosters te Gorze, St-Avold (welke naam een verbastering is van Nabor!) en Lorsch ten geschenke geven. Op de terugweg overnachtte hij in het klooster van Saint-Maurice. De volgende morgen weigerden de monniken echter hem de relieken van Gorgonius terug te geven. Daarop zocht de bisschop steun bij Pepijn en kreeg van hem toestemming om ze desnoods met geweld op te eisen. Geen dreigement kon de monniken vermurwen. Tenslotte greep de heilige bisschop naar een breekijzer en begon voor de ogen van de verbijsterde monniken de reliekschrijn van Sint Mauritius open te breken om zich met diens relieken schadeloos te stellen. Toen gaven de monniken  daar hun diefstal toe en Chrodegang kreeg zijn relieken terug.
[132]

In het jaar 963 waren een paar monniken in Rome geweest en hadden van Paus Johannes  het lichaam van paus Urbanus († 230; feest 25 mei) gekregen alsmede dat van de martelaar Tiburtius († 229; feest 14 april).

Dit moet paus Johannes XII geweest zijn: hij werd op 16 december 955 tot paus gekroond; hij zag zich vanwege zijn onwelwillende houding jegens de keizer genoodzaakt eind 963 Rome te ontvluchten (opgevolgd door Leo VIII) en stierf uiteindelijk na zijn terugkeer in de eeuwige stad op 14 mei 964.
Waarschijnlijk betreft het hier een lichaamsdeel. Omdat in zo'n deel de wonderkracht evenzeer aanwezig was als in het hele lichaam gebruikte men graag het 'pars pro toto' (door een deel te noemen, duidt men het geheel aan). Straks als zij het lichaam van Mauritius meekrijgen, is dat nog veel waarschijnlijker.

Onderweg naar huis brachten ze ook een bezoek aan de kerk van de heilige martelaren. Ze kregen van de abt ook het lichaam van de heilige Mauritius mee, alsmede het hoofd van Innocentius met de bedoeling dat zij ze op het altaar zouden plaatsen van de kerk te Auxerre; die had Sint Germanus toegewijd aan beide heiligen.
Petrus Damianus vertelt dat er in Bourgondië een hoogmoedige en eerzuchtige geestelijke was die zich met geweld aan het hoofd had geplaatst van een Mauritiuskerk.
Toen deze op een dag de Mis beëindigd had, hoorde hij iemand zingen:
"Alwie zich verheft, zal vernederd worden."
Waarop het stuk ongeluk terugriep:
"Daar klopt niks van. Want als ik me voor mijn vijanden had laten vernederen, zou ik nu niet zo'n mooie rijke kerk hebben!"
Op hetzelfde moment sloeg de bliksem in, en als door een vurig zwaard werd de mond, die zulke godslasteringen had durven uiten, erdoor opengereten
. De geestelijke was op slag dood.

Tenslotte is er nog een Mauritiuslegende te vinden in het zogeheten Passional oftewel "Leven en Lijden der Heiligen", een verzameling legendes die in de jaren 1471-1472 in twee delen te Augsburg verscheen.

Eens leefde er in de stad Magdeburg een leerling, die Udo heette. Hij verlangde ernaar de vrije kunsten te leren.

Maar hij had zo'n klein en beperkt verstand dat hij er allemaal niet veel van begreep. En hoeveel slagen zijn onderwijzer hem ook toediende, het hielp niet. Nu gebeurde het eens dat hij net een ongelooflijk pak slaag had gekregen van zijn schoolmeester. Uit school ging hij meteen naar de kerk van Sint Mauritius. Daar begon hij met de grootste vurigheid te bidden. Hij smeekte Onze Lieve Vrouw en de Heilige Mauritius met de meeste aandrang, dat ze zijn verstand zouden verlichten, zodat hij beter zou kunnen leren. Toen hij zo innig in gebed was, raakte hij in geestvervoering.  Daar verscheen hem Maria met de woorden:
"Ik heb je gebed verhoord. Vandaar Udo, dat ik je niet alleen de gave van de kunsten wil geven, maar ook wil ik dat jij de huidige bisschop na diens dood zult opvolgen, en aan het hoofd zult staan van de Sint-Mauritiuskerk. Wanneer je je goed van je taak zult kwijten, zul je een groot loon in de hemel ontvangen; blijk je een slecht kerkleider te zijn, dan zal niet alleen je lichaam sterven, maar ook je ziel."

Na deze woorden verdween Onze Lieve Vrouw. De leerling ontwaakte en ging zoals altijd naar school. Hij ving dus weer zijn studies aan. Toen hij het woord kreeg om ook iets te zeggen, liet hij al de anderen achter zich in alle kunsten. Degenen die hem zo kundig aan de gang hoorden, stonden verbaasd en vroegen zich af:
"Wie heeft hem al die kunst ingegeven? Stel je voor: Udo! die gisteren nog zo'n pak slaag heeft gekregen. Toen wist hij van geen kunst af, en moet je nu horen hoe hij beslagen ten ijs komt in de filosofie."

Twee jaar nadien stierf de bisschop en eenstemmig werd Udo tot aartsbisschop gekozen. Na zijn installatie, gaf hij lofwaardig leiding aan de kerk. Zijn levenswijze was in overeenstemming met wat hij zei. Maar ieder weet hoe eer en rijkdom het goede in mensen stilaan kunnen aanvreten. En langzaamaan begon hij minder te worden in goede werken en hij dacht niet meer aan de raad van Onze Lieve Vrouw, en ook niet aan zijn eigen zaligheid. Hij begon een leven van wellust te leiden en de bezittingen van de kerk er door heen te jagen. Hij leefde in onkuisheid, niet alleen met vrouwen uit de wereld, maar ook met hen die zich als maagd aan God alleen hadden toegewijd.

Toen de mensen het door kregen, werden ze woedend op hem en begonnen hem te haten. Zo wentelde de bisschop zich jarenlang in zijn zondig leven. Op een nacht was er eens een gewijde kloosterzuster bij hem. Net toen hij met haar de zonde bedreef, hoorde hij een stem die zei:
"Ophouden Udo, het is mooi geweest. Nu moet het uit zijn met je spelletjes."
Maar hij meende dat die stem hem alleen maar belachelijk wilde maken; dus hij wilde van geen ophouden weten. De volgende nacht klonk die stem weer, maar hij trok zich er niets van aan. Toen hij in de derde nacht zijn zonde aan het bedrijven was, hoorde hij de stem weer, maar nu razend en kwaad. Hij keek er van op, maar was niet van zins zijn levenswandel te veranderen. Hij probeerde die stem te verdringen.

Drie maanden daarna zat één van de kanunniken, Fredericus genaamd, die een vroom en eerlijk man was, in het koor zijn gebeden te doen. En hij bad Onze Heer voor het gehele christenvolk en in het bijzonder voor de kerk van Magdeburg: dat God zo goed zou willen zijn haar een andere plaatsbekleder te zenden, door Udo van de aardbodem te doen verdwijnen, dan wel door hem tot bekering te brengen. Vele mensen hebben de huiveringwekkende dingen gezien die toen plaats vonden. Op de eerste plaats woei er een forse windvlaag door de kerk die alle kaarsen uitblies. Daar schrok die kanunnik zo van dat zijn haren recht overeind gingen staan. Hij probeerde zich zo klein mogelijk te maken. Van bidden kwam al helemaal niets meer. Vervolgens zag hij hoe twee jongemannen de kerk binnen kwamen en voor het altaar gingen staan; elk had een toorts bij zich, zodat de hele kerk hel verlicht werd. Toen kwamen er nog twee anderen, waarvan de ene een kleed bij zich had, dat hij voor altaar op de grond uitspreidde. De andere droeg twee vergulde stoelen: die werden daar plechtig neergezet. Toen kwam er één alleen: hij zag er uit als een sterke strijder; hij had een getrokken zwaard in de hand. Hij ging midden in de kerk staan en riep met luide stem:
"Alle heiligen die hier in de kerk begraven liggen, staat op om voor Gods rechterstoel te verschijnen."
Na deze woorden was er een grote schare mannen en vrouwen te zien; er waren ook veel bisschoppen en ridders bij. Zij betraden allen het koor van de kerk. Toen verschenen de twaalf apostelen met Christus in hun midden. Hij had een kroon op het hoofd en een scepter in de hand; hij schitterde als de zon. Allen vielen in aanbidding neer en brachten Hem hulde als Schepper en Verlosser. Christus ging op de ene stoel zitten. Toen verscheen Maria, stralend als een ster. In haar gevolg was een stoet van maagden te zien. En alle aanwezigen knielden voor haar en brachten haar hulde. En Christus stond op om haar tegemoet te gaan; Hij nam haar bij de hand en geleidde haar naar de andere stoel naast zich. Tenslotte verscheen daar ook Sint Mauritius; hij zag eruit als een machtig hertog; hij ging vergezeld van een legioen van zesduizend zeshonderd zesenzestig man. Zij allen vielen voor Christus te voet en riepen: "U bent de allerrechtvaardigste Rechter en Schepper van de wereld. Wij smeken U dat U recht zult doen geschieden."
Na deze woorden richtten zij zich op en vestigden met grote waardigheid hun blik op de Rechter.

En Christus sprak:
"Ik weet wat u verlangt."
Daarop riep hij:
"Brengt bisschop Udo hier voor mij!"
Onmiddellijk maakten zich een aantal van de aanwezigen zich los uit de groep om Udo van zijn bed te lichten, waar hij juist bezig was zijn zonden te bedrijven. Ze brachten hem naar voren. Sint Mauritius richtte veelbetekenend zijn blik op hem en wendde zich vervolgens tot de Rechter:

Hier wordt weer het beeld opgeroepen van Mauritius die temidden van zijn mensen opkomt voor de dingen van God. Dat had hij - volgens zijn legende - juist zo gedaan temidden van zijn Thebaanse Legioen...!

"U bent de allerrechtvaardigste Rechter. Ziehier Udo, een bisschop! Een wolf is het; geen herder, maar een rover, slachter en verstrooier van uw schapen. Hij is het aan wie uw gebenedijde moeder verstand gaf om de kunsten te leren. Zij vertrouwde hem deze kerk toe die ter ere van mij en mijn gezellen werd gebouwd.
Maria heeft hem destijds gewaarschuwd: als hij slecht leiding zou geven, zou hij niet alleen in zijn lichaam, maar ook in zijn ziel voor eeuwig sterven.
Eén-, twee- ja zelfs driemaal is hij gewaarschuwd dat hij zijn zondig leven op moest geven, maar hij heeft zich er niets van aan getrokken. Hij heeft zijn leven niet gebeterd. Niet alleen heeft hij verderf over deze kerk gebracht, maar ook over vele van zijn onderdanen. Hij is er daarbij zelfs niet voor teruggeschrokken om mensen die U toegewijd en geheiligd waren, te misbruiken; hij bedreef zonde en schande met hen. Daarom, rechtvaardige Rechter, spreek nu uw rechtvaardig oordeel uit.

Na het horen van deze woorden, keek de Rechter de kring van heiligen rond en sprak:
"Wat vindt u hiervan?"
De al eerder genoemde strijder antwoordde met luide stem:
"Hij is de dood schuldig."
Daarop ging de Rechter met al de aanwezigen in overleg welke dood hij moest ondergaan. Toen kwam de Rechter tot een uitspraak: "Hij heeft het verdiend zijn hoofd te verliezen. Want hij heeft zijn hoofd altijd heel belangrijk gevonden, terwijl hij zich intussen wentelde in een poel van zonden."
Na deze uitspraak van de Rechter beval de strijder aan Udo dat hij zijn nek moest uitsteken. Op het moment dat de strijder zijn zwaard ophief, riep er iemand van de aanwezigen:
"Wacht nog even. Eerst moeten we alwat heilig is in veiligheid brengen en dus aan hem ontnemen."
Toen kwam er iemand met een kelk op Udo toelopen en hield deze voor zijn mond. Telkens als de strijder hem een klap toediende, viel er een besmeurde hostie uit zijn mond in de kelk. Christus zelf ontfermde zich erover, legde ze op het altaar en reinigde ze allemaal. Vervolgens stopte hij ze weer in de kelk, plaatste die op het altaar en liet haar daar staan. Toen boog hij voor het altaar en ging weg met de gehele schare. Daarop kwam de strijder op Udo toe en sloeg hem het hoofd af. Tenslotte ging ook hij weg met degenen die nog achtergebleven waren.

Toen de kanunnik zich realiseerde dat hij alleen was, verwonderde hij zich over alles waar hij getuige van was geweest. Doodsbang daalde hij af in de crypte. Hij vond een lichtje, waarmee hij alle kaarsen aanstak. Toen begaf hij zich naar de plek waar zijn visioen zich had afgespeeld. En zie, de kelk met hosties stond inderdaad op het altaar. Toen zag hij ook het bloed van de bisschop; zijn hoofd was ver weg gerold van de romp. De volgende ochtend bracht hij verslag uit aan zowel de kerkelijke als de wereldlijke autoriteiten. En zij bevonden alles, zoals hij het gezien had.

Een onheilspellende legende. Men zou zich kunnen afvragen wat er in feite gebeurd is. Is de bisschop - bv. op grond van zijn liederlijke levenswijze? - het slachtoffer geworden van een aanslag die werd voorgesteld (of beschouwd?) als een godsoordeel? Te vergelijken met de plot in 'De Naam van de Roos' van Umberto Eco, waar ook een monnik meende instrument te zijn van Gods wraak.
Of is het veeleer een waarschuwing, juist zoals Jezus in zijn gelijkenissen aanschouwelijk voorstelde hoe slecht het zou aflopen met mensen die niet leefden volgens de naastenliefde (bv. 'in de duisternis geworpen, waar geween is en tandengeknars' of 'het eeuwige vuur' enz.)?
In ieder geval vallen ons elementen op die typisch zijn voor de bloeitijd van de Middeleeuwen. Het oordeel Gods, met name over kerkelijke bedienaren die onwaardig leven: vgl. de vele voorstellingen van het Laatste Oordeel uit die tijd, waarop vaak te zien is dat bisschoppen (herkenbaar aan een mijter) en andere geestelijken  (kruinschering) geboeid door de duivel (letterlijk en figuurlijk!) naar de hel worden gevoerd; vgl. Dante's beschrijving van de hel. Daarnaast is er de relatief grote rol van Maria. Zij zetelt naast Jezus op de troon! En tenslotte merken we op welk een grote plaats de hostie inneemt, Christus' tegenwoordigheid onder de mensen. Hoe Christus' zuiverheid wordt bezoedeld door onwaardige ontvangers van het sacrament, en hoe Hij zich uiteindelijk geheel en al onttrekt aan en losmaakt van de verstokte zondaar, die zich door niets meer laat bekeren.

Verering & Cultuur in Frankrijk
Op één van de portalen van de basiliek te St.-Denis staat hij afgebeeld tezamen met Martinus en Dionysius: met zijn drieën weten zij de ziel van de gestorven Frankenkoning Dagobert uit de klauwen van de duivel te bevrijden.
[000]

Weerspreuk(en)
'Vertoont zich Mauritius klaar:
aan veel stormen verwacht u maar.'
Sint-Mauritius klaar:
veel stormen verwacht u maar.'

[000; 102; 103; 108; 109; 111; 131; 132; 149; 151; 176; 183; 191; 193; 200; 213; 214; 227; 233; 242; 268; 333p:120.121; Sme:82;270; Dries van den Akker s.j./2007.09.02]

Her en der vereerde gezellen van Mauritius

Adventor van Turijn: zie Octavius.
Alexander van Bergamo, soldaat & martelaar uit het Thebaanse Legioen, Italië; † 297; Feest 26 augustus & 22 september.
Alexander van Trier: zie Palmatius.
Alverius van Fossano, Italië; soldaat & martelaar van het Thebaanse Legioen, met Sebastianus; † 287; Feest 26 januari.
Antoninus van Piacenza, Italië; soldaat & martelaar van het Thebaanse Legioen; † 3e à 4e eeuw. Feest 4 juli & 22 (Thebaanse Legioen) & 30 september & 13 november (overbrenging relieken).
Bonifatius van Trier: zie Thyrsus
Cassius van Bonn, Duitsland; soldaat & martelaar met Florentius en Pius; † 303; Feest 10 oktober.
Constans van Trier: zie Palmatius.
Constantius van Saluzzo, Italië; soldaat & martelaar van het Thebaanse Legioen; † 287; Feest 8 september.
Constantius van Trier: zie Palmatius.
Crescentius van Trier: zie Palmatius.
Dalmatius van Borgo San Dalmazzo (= D. van Pavia, bisschop(?), Italië; soldaat & martelaar uit Thebaanse Legioen(?) / geloofsverkondiger(?) / bisschop(?); † 304(?); Feest 5 december.
Defendens en Gezellen van Marseille, Frankrijk; Soldaat en martelaar uit het Thebaanse Legioen (?); † 287.Feest 1 & 2 januari & 22 september (met Thebaanse Legioen).
Felix van Zürich, Zwitserland; martelaar met Regula en Exuperantius; † ca 300. Feest 11 september.
Florentius van Bonn: zie Cassius.
Gereon van Keulen, Duitsland; martelaar uit het Thebaanse Legioen met nog 318 anderen; † 287. Feest 10 oktober.
Gilmer (ook Gislemer) van Borgo San Donnino; martelaar uit het Thebaanse Legioen † 287. Feest 16 september.
Gregorius Maurus, Keulen, Duitsland; martelaar; † 287. Feest 15 oktober.
Hormisda van Trier: zie Palmatius.
Jafredus (ook Chaffre, Ciafré, Eufredus, Jofredus, Sinfredus, Teofredus of Zaffredus) van Saluzzo, Italië; soldaat en martelaar uit het Thebaanse legioen(?); † 287(?). Feest 1 (Saluzzo) & 7 & 22 (met Thebaanse Legioen) september.
Jovanianus van Trier: zie Palmatius.
Justinus van Trier: zie Palmatius.
Leander van Trier: zie Palmatius.
Mallosus (ook Mallusius, Malusius of Marusius) van Birten, Duitsland; martelaar (met Sint Mauritius van het Thebaanse legioen?); † ca 287. Feest 10 oktober.
Magnus van Cuneo, Italië; Soldaat & Martelaar uit het Thebaanse Legioen; † 287; Feest 19 augustus
Mauritius van Pinerolo, Turijn, Italië; martelaar van het Thebaanse Legioen met Georgius & Tiberius; † 287. Feest 24 april & 22 september.
Maxemtius van Trier: zie Palmatius
Octavius van Turijn, Italië; soldaat & martelaar met Solutor & Adventor; † 297; Feest 20 november.
Palmatius van Trier, Duitsland; martelaar met Maxentius, Constantius, Crescentius, Justinus, Leander, Alexander, Soter, Hormisda (ook Ormisda), Papirius, Constans & Jovanianus; † 287. Feest 5 oktober & 12 december
Papirius van Trier: zie Palmatius.
Pius van Bonn: zie Cassius.
Sebastianus van Fossano (ook van het Thebaanse Legioen), Fossano, Piemonte, Italië; martelaar met Alverius; † ca 287. Feest 2 januari & 22 september (Thebaanse Legioen)
Secundus van Ventimiglia, Italië; soldaat & martelaar; † 286; Feest 20 november.
Solutor van Turijn: zie Octavius.
Soter van Trier: zie Palmatius.
Thyrsus (ook Tyrsus) van Trier, Duitsland; martelaar met zijn niet nader genoemde gezellen; alsmede Bonifatius eveneens met niet nader genoemde gezellen; † 287. Feest 4 oktober.
Ursus van Soloturne: zie Victor
Victor van Soloturne, Zwitserland; soldaat & martelaar met Ursus; † 286; Feest 30 september.
Victor van Xanten (ook van Keulen), Duitsland; martelaar met (330?) anderen; † 287. Feest 10 oktober.

[Dries van den Akker s.j./2008.03.24]

Bronnen
  Al eens onze andere site: www.beeldmeditaties.nl bezocht?

© A. van den Akker s.j.
Deze pagina is het laatst gewijzigd op 23 nov 2014

Een greep uit wat deze website verder te bieden heeft:
VoorwoordLeeswijzerHoe wordt men heilig?VerantwoordingBronnenWoordenboek  
KerstafbeeldingenDe 12 apostelenPausenCitatenTante CatoArchiefTegelsBladwijzersNieuw
Tenslotte: een overzicht van alle hoofd- en submenu's van deze website