Overzicht BM  m Gastenboek m Vertel verder m Contact
Andreas 

        De website met meer dan 5545 heiligen, 4226 voornamen en 8548 afbeeldingen        

WelkomHeiligenMissaalheiligenHeiligenkalenderHeiligen op naamPatronatenVoornamen SJ Meer

† 1e eeuw  Thomas Apostel 


Info afbeeldingen
 Inhoud van deze pagina  Algemeen
Overweging door Thomas

Thomas Apostel (ook Didymus of Ongelovige Thomas), Malaipur (bij Madras), India; martelaar; † 1e eeuw.

Feest 21 mei (koptische kerk) & 20 juni (overbrenging relieken naar kerk van de HH. Apostelen te Constantinopel, tezamen met die van de HH. apostelen Lukas [18 oktober], Andreas [30 november], van de H. profeten Elia [20 juli] en Elisa [14 juni] en van de H. martelaar Lazarus [29 juli][107; 141] & 3 juli (overbrenging relieken van India naar Edessa (Mesopotamië) in de 3e eeuw [106]: RK.1970 & melkitische & chaldeeuwse ritus) & 6 oktober (Griekse kerk) & 21 december (tot 1969).

Volgens de evangelies behoorde hij tot 'de twaalf', de kring van Jezus' meest intieme leerlingen, die Hijzelf de naam 'apostel' (= 'zendeling' of 'gezondene') gaf (Mattheus 10,3; Markus 3,18; Lukas 6,15; Handelingen 1,13). Soms draagt hij de bijnaam 'Dydimus' (= 'Tweeling': Johannes 11,16;20,24).

Hij is de geschiedenis ingegaan als 'de ongelovige Thomas'. Dat komt door de gebeurtenissen na Jezus' opstanding uit de dood, zoals die verteld worden in het evangelie van Johannes:

'Op de avond van de eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats van de leerlingen gesloten waren uit vrees voor de joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei:
"Vrede zij u."
Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde, toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei Jezus tot hen:
"Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie."
Na deze woorden blies Hij over hen en zei:
"Ontvangt de Heilige Geest. Wier zonden jullie vergeven, hun zijn ze vergeven; en wier zonden jullie niet vergeven, hun zijn ze niet vergeven."
Thomas, een van de Twaalf (ook Didymus genaamd), was echter niet bij hen toen Jezus kwam. De andere leerlingen vertelden hem:
"Wij hebben de Heer gezien."
Maar hij antwoordde:
"Als ik niet in zijn handen de tekenen van zijn nagelen zie, en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken, en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven."
Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Thomas erbij. Hoewel de deuren gesloten waren, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei:
"Vrede zij u."
Vervolgens zei Hij tot Thomas:
"Kom hier met uw vinder en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig, maar gelovig."
Toen riep Thomas uit:
"Mijn Heer en mijn God!"
Toen zei Jezus tot hem:
"Omdat je Mij gezien hebt, geloof je? Zalig die niet gezien, en toch geloofd hebben!"'
[Johannes 20,19-29]

Volgens vele bijbeluitleggers slaat Jezus' verwijt over Thomas' ongeloof op het feit, dat hij eerst de bewijzen moest zien, anders geloofde hij niet wat hem verteld werd. Die suggestioe ligt ook in Jezus' slotwoorden.

Er is ook een andere uitleg mogelijk. Deze brengt Thomas' ongeloof in verband met Gods grootheid. Hoe kon hij, Thomas, het verhaal geloven van zijn medeleerlingen, dat Jezus uit de doden was opgestaan, hen had opgezocht, vrede had gewenst en als klap op de vuurpijl de Heilige Geest van zonden-vergeving had doorgegeven, een volmacht die alleen aan God zelf toekwam? Als hij al had kunnen aannemen, dat Jezus uit de doden was opgestaan, hoe kon hij dan geloven, dat hun, de leerlingen zulke grote dingen toevertrouwd werden? Alsof zij niet tijdens Jezus' lijden en dood stuk voor stuk door de mand waren gevallen en Jezus' gezelschap niet waardig waren gebleken door laf te zijn, Jezus te verloochenen en op de vlucht te slaan! En aan zulke lieden zou Jezus vrede komen wensen en de Geest komen toevertrouwen die God tot God maakt!?

Als Jezus al was opgestaan en zou terugkomen, zou Hij dan niet eerst met zijn leerlingen een geducht appeltje te schillen hebben? Daarom vroeg Thomas zich af of degene die zijn medeleerlingen gezien hadden, wel werkelijk Jezus was geweest? Droeg Hij de littekens van zijn lijden en dood in zijn lichaam? Als dat inderdaad het geval was, en die persoon zou hun de Heilige Geest toevertrouwen, zonder dat Hij hun ook maar één verwijt maakte of zelfs maar een toespeling op hun beschamend aandeel in het hele verhaal..., als de verschijning hun inderdaad vergaf en Gods Geest toevertrouwde, dan stonden ze - maar dat was immers ongelooflijk! - oog in oog met God zelf!

En dat is dan ook wat Thomas belijdt, als Jezus zich aan inderdaad hem vertoont!

Volgens de overlevering trok hij na Pinksteren naar Oost-Azië en preekte het evangelie onder Parthen, Meden en Perzen en zou hij zelfs tot in India gekomen zijn. Hier stierf hij als martelaar.

Thomas Apostel Legende

1. Op het moment dat de apostel Thomas te Cesarea verbleef, verscheen hem de Heer met de woorden: "Koning Gondofer van Indië heeft zijn opperbevelhebber Abbanes erop uitgestuurd om een man te vinden die goed in architectuur is." Waarop Thomas antwoordde: "Heer, ik ben bereid overal heen te gaan waar U me naartoe stuurt." En God zei: "Ga in vrede. Ik zal je behoeden. En als je Indië bekeerd hebt, zul je tot Mij komen met de martelaarspalm." Intussen liep de opperbevelhebber rond op het forum. De Heer sprak hem aan: "Wat zoek je, jongeman?" Abbanes antwoordde: "Mijn meester heeft me erop uitgestuurd om goede architecten in te huren, want hij wil een paleis laten bouwen zoals de Romeinen dat doen." Toen stelde de Heer hem voor aan Thomas en verzekerde hem dat deze man heel goed was in de kunst van de architectuur.

De boot waarop de opperbevelhebber en Thomas zaten, deed een stad aan waar juist een koning de bruiloft van zijn dochter vierde. Deze koning had bevolen dat de hele stad bij het feest aanwezig moest zijn. Dus waren Thomas en Abbanes wel gedwongen om erbij te blijven. Maar Thomas at niets en hield zijn ogen op de hemel gevestigd. Toen de chef-kok bemerkte dat de apostel niet at of dronk, sloeg hij hem in het gezicht. Waarop de apostel reageerde: "Het is maar goed dat u nu op staande voet een tijdelijke straf zult krijgen, en dat uw daad vergeven is, voordat u in het hiernamaals binnengaat. Want weet dit wel: eer ik van deze tafel ben opgestaan, zal de hand die mij sloeg door honden worden weggeroofd." En jawel, toen de chef-kok even naar buiten ging om water te putten, werd hij besprongen door een leeuw, waarbij hij de dood vond. Honden kwamen zijn lijk verscheuren en eentje kwam er zelfs met de rechterhand in zijn bek de feestzaal binnenlopen. Deze wraak wordt door Sint Augustinus in zijn boek 'Tegen Faustus' verworpen; hij noemt het verhaal apocrief. Vandaar dat velen deze legende verdacht vinden. Maar laten we terugkeren naar ons verhaal.

Op verzoek van de koning gaf Thomas bruid en bruidegom de zegen met de woorden: "Geef aan deze jonge mensen de steun van uw rechterhand en zaai in hun ziel het zaad van het leven." Toen de apostel vertrokken was, bleek de bruidegom een palmtak in zijn hand te hebben, vol dadels.

Beide echtelieden beweerden, dat ze na het eten van de dadels dezelfde droom hadden gehad. Zij zagen een koning, getooid met diamanten; hij kuste hen met de woorden: "Mijn apostel heeft jullie gezegend opdat je deel zou hebben aan het eeuwig leven."

Bij het wakker worden vertelden zij hun droom aan elkaar. Op dat moment verscheen de apostel in hun kamer met de woorden: "Zojuist is mijn koning bij jullie geweest. Hij is het die me nu hierheen heeft gestuurd ondanks de dichte deuren. In de hoop dat jullie krachtens mijn zegen jullie lichaam in zuiverheid zult bewaren; want dat is de koningin van alle deugden en zij zal jullie naar het eeuwig heil geleiden. De maagdelijkheid is de zuster der engelen, het bezit van alle goed, de overwinning van alle hartstochten, het overwinningsteken van het geloof, de nederlaag van de boze geesten en het onderpand van de eeuwige vreugde. Maar van de wellust komt bederf, van bederf komt verrotting en van verrotting totale teloorgang." Terwijl de apostel nog tot hen sprak, verschenen er twee engelen en die zeiden: "God stuurt ons tot jullie om jullie te beschermen. Als jullie je aan zijn woorden zullen houden, zullen wij jullie belofte tot voor God brengen." Daarop werden de twee door de apostel gedoopt en in het geloof onderricht. Veel later zou de bruid, die Pelagia heette, de marteldood ondergaan; de bruidegom, Dionysius, werd bisschop van die stad gewijd.

2. Nu zetten de apostel en Abbanes hun reis voort en zij kwamen aan bij het hof van de koning van Indië. Thomas maakte een tekening van een pracht-paleis. En de koning gaf hem een enorme schat om hem in staat te stellen de bouw van het paleis te coördineren. Daarop vertrok die koning naar een andere provincie. Intussen verdeelde de apostel al het geld dat hij van hem gekregen had, onder het volk. In de twee jaar dat de koning weg was deed de apostel niets anders dan preken; daarmee wist hij een enorme menigte tot het geloof te bekeren. Maar toen de koning bij thuiskomst van Thomas' handelwijze hoorde, wierp hij hem in de gevangenis, tezamen met Abbanes met de bedoeling hen levend te verbranden. In dezelfde tijd kwam de broer van de koning, Gad, te overlijden. De vorst maakte zich op voor een buitengewoon overdadige begrafenisplechtigheid. Maar op de vierde dag na zijn dood stond de overledene op tot verbijstering van iedereen. Tegen zijn broer zei hij: "Broeder, de man die jij straks wilt laten villen en verbranden, is een vriend van God en alle engelen staan in zijn dienst. Die engelen hebben mij namelijk naar het paradijs gebracht en daar hebben zij mij een fantastisch paleis laten zien van goud, zilver en edelstenen en zij zeiden mij: "Dit is het paleis dat Thomas voor je broer heeft laten bouwen. Maar je broer is het niet waard. Dus als jij het in zijn plaats wilt hebben, dan zullen wij aan God vragen of Hij je uit de dood doet opstaan en dat jij het paleis van je broer terugkoopt voor de prijs die hij ervoor heeft betaald en waarvoor hij - naar zijn eigen mening - niets heeft teruggezien." Na die woorden snelde Gad naar de gevangenis van de apostel, maakte zijn boeien los en smeekte hem een kostbare mantel in ontvangst te willen nemen. Maar de apostel antwoordde: "U zou toch moeten weten dat ieder die naar de hemelse macht verlangt, niks kan beginnen met aardse goederen?" Toen liep de apostel de gevangenis uit. Daar kwam de koning op hem af en wierp zich voor hem neer en smeekte om vergiffenis. De apostel sprak tot hem: "Geloof in de Christus en laat je dopen, dan zul je deelhebben aan het eeuwig koninkrijk." De broer van de koning zei toen tegen hem: "Ik heb het paleis mogen zien dat u voor mijn broer hebt gebouwd en ik heb het recht gekregen om het in bezit te nemen." De apostel reageerde: "Dat hangt van uw broer af." De koning kwam tussenbeide: "Ik wil dat het paleis van mij blijft; laat de apostel voor jou maar een ander bouwen; en als dat niet kan, dan kunnen we er altijd samen in wonen." Daarop zei de apostel: "In de hemel zijn er ontelbare paleizen, in gereedheid gebracht van vóór alle tijden; die kun je alleen maar verwerven door te geloven en aalmoezen te geven. En wat betreft jullie rijkdommen: zij kunnen jullie uitstekend voorgaan in dat paleis, maar je er volgen kunnen ze zeker niet!"

3. Eén maand daarna liet de apostel alle armen uit de omgeving samenbrengen. Toen zij bij elkaar waren, liet de apostel de zieken, zwakken en gebrekkigen eruit halen. Hij sprak een gebed over hen uit waarop twee onder hen - die hadden het geloof ontvangen - antwoordden met 'amen'. Daarop daalde er een schitterend licht uit de hemel neer en het verspreidde zich over de apostel en al die armen. Toen het weer gedoofd was, sprak de apostel: "Sta op, het is mijn Meester; hij lijkt op het weerlicht en brengt genezing bij allen." En inderdaad bleken ze allemaal genezen. En ze stonden op om God en zijn apostel te verheerlijken.

Daarop begon hij hun te onderrichten door ze over de twaalf trappen der deugd te vertellen. De eerste trap is dat je gelooft in God, één in wezen, in drie personen. Met drie voorbeelden gaf de apostel aan, hoe één wezen in drie personen kan bestaan: 1e de wijsheid in een mens is één, maar toch bestaat zij in verstand, herinnering en fantasie; 2e een wijnstok wordt gevormd door de drie elementen van hout, blad en vrucht: dat geheel vormt de wijnstok; 3e een hoofd bevat vier zintuigen: het gezicht, de smaak, het gehoor en de reuk. De tweede trap der deugd is het ontvangen van het doopsel. De derde is het afstand nemen van overdaad. De vierde: het vermijden van hebzucht. De vijfde: het vermijden van vraatzucht. De zesde: het doen van boete. De zevende: het voortdurend doen van het goede. De achtste: het practiseren van de gastvrijheid. De negende: het onderscheiden van wat God wil. De tiende: het onderscheiden van God niet wil. De elfde: het beminnen van vriend én vijand. En de twaalfde: er dag en nacht voor zorgen om van dit alles niet af te wijken. Zo preekte dus de apostel. Toen hij uitgesproken was, lieten negenduizend mensen zich dopen, en dan hebben we vrouwen en kinderen nog niet eens meegerekend.

4. Vervolgens vertrok Thomas naar het zuiden van Indië, waar hij de aandacht op zich vestigde door talloze wonderen. Hij bekeerde er een zekere Sinticia; zij was een vriendin van Migdomia en die was weer getrouwd met een familielid van de koning daar. Migdomia verlangde ernaar om de apostel eens persoonlijk te ontmoeten. Op advies van Sinticia legde zij haar dure kleren af en ging temidden van de armen staan die op dat moment door de apostel onderricht werden. Hij was juist bezig te preken over de narigheid van dit onzekere en vluchtige leven. Hij drukte zijn toehoorders op het hart zich aan het woord van God toe te vertrouwen. Hij vergeleek het 1e met oogwater, omdat het de ogen van onze ziel helder doet zien; 2e met een pleister, omdat het de wonden van onze ziel beter maakt; 3e met voedsel, omdat het ons voedt met hemelse dingen. Na het luisteren naar de apostel, nam Migdomia het geloof aan en vanaf dat moment verafschuwde zij het om met haar man te slapen. Deze heette Carisius. Hij deed zijn beklag bij de koning en liet de apostel in de gevangenis opsluiten. Daar ging Migdomia hem opzoeken en vroeg hem vergiffenis daar zij de oorzaak was van zijn gevangenschap. Maar de apostel troostte haar met zijn goedheid en hij legde haar uit dat hij gelukkig was dit alles te mogen lijden. Intussen verzocht Carisius aan de koning of hij zijn gemalin eens wilde laten praten met haar zus, zijn vrouw, in de hoop dat zij haar zou weten terug te brengen bij hem. Maar in feite werd de koningin door haar bekeerd, waar het omgekeerd juist de bedoeling was geweest. Bij het zien van de wonderen door de apostel sprak zij: "Vervloekt zijn al degenen die weigeren te geloven in weerwil van zoveel tekenen en wonderwerken. Toen zij bij haar echtgenoot terugkwam, zei deze: "Waar ben je zo lang geweest?" Waarop de koningin antwoordde:

"Eerst dacht ik dat Migdomia gek was geworden, maar integendeel, zij is de verstandigste; en onderweg naar de apostel heeft zij mij de ware weg doen kennen. Gek zijn degenen die weigeren in Christus te geloven." En vanaf dat moment weigerde ze nog bij haar man te slapen. Waarop de koning verbijsterd tegen zijn zwager zei: "In plaats van jouw vrouw terug te krijgen ben ik nu ook nog de mijne kwijtgeraakt. Mijn vrouw maakt het voor mij nog erger dan de jouwe voor jou." Hij liet de apostel in de boeien slaan en hij beval dat hij ervoor moest zorgen dat zijn vrouw en haar schoonzuster weer hun huwelijkse verplichtingen zouden nakomen. Daarop maakte de apostel duidelijk dat de vrouwen zelfs de plicht hadden af te zien van hun huwelijksleven, zolang zijn zwager en hij zouden blijven steken in hun dwaalleer. "U als koning" zo legde hij uit "wilt in ieder geval geen ongewassen personeel in dienst, integendeel u wilt alleen maar dienaren die schoon zijn. Hoeveel te meer zal God dan niet kuise en zuivere mensen in zijn dienst wensen. Hij ziet graag terug in zijn dienaren wat u graag terug wil zien in de uwe. Stel u voor. Ik heb een hoge toren gebouwd en u zegt tegen mij, de bouwer, dat ik hem weer moet afbreken. Ik heb een bron doen ontspringen uit de grond en u zegt me dat ik haar weer moet laten dichtgooien?"

De koning was woedend. Hij liet metalen platen halen die net zo lang in het vuur gehouden waren tot ze roodgloeiend waren. Hij beval de apostel daar met blote voeten op te gaan staan. Maar onmiddellijk was er een teken van God: er ontsprong een bron uit de grond die het ijzer af deed koelen. Toen liet de koning hem op advies van zijn zwager in een brandende vuuroven onderdompelen. Maar deze doofde onmiddellijk uit en de volgende morgen stapte hij er gezond en wel weer uit. Daarop zei Carisius tegen de koning: "Beveel hem te offeren aan de zonnegod. Dan zal zijn eigen god, die hem tot nu toe zo beschermt, woedend op hem worden. De koning volgde die raad op. Maar Thomas zei: "Dacht u nou werkelijk dat het is zoals uw zwager suggereert: dat mijn God kwaad wordt op míj, als ik uw god aanbid? Ik denk dat Hij veel eerder kwaad wordt op uw god en dat Hij hem vernietigt op het moment dat ik hem aanbid. Dus laten we zo afspreken: als mijn God de uwe niet vernietigt op het moment dat ik hem aanbid, dan zal ik aan hém mijn offers opdragen. Maar als mijn god hem wel vernietigt, dan moet u mij beloven de mijne te aanbidden." Waarop de koning antwoordde: "Als klap op de vuurpijl durft u mij dus ook nog te behandelen als uw gelijke!"

Nu beval de apostel in het Hebreeuws aan de boze geest die in het afgodsbeeld huisde het beeld te vernietigen op het moment dat hij ervoor neer zou knielen. Toen knielde hij neer met de woorden: "Ik aanbid niet dit afgodsbeeld, en ik aanbid niet dit metaal en ik aanbid niet dit maaksel, nee, ik aanbid alleen mijn Meester Jezus Christus. In zijn naam beveel ik jou dus, boze geest die hierin woont, je eigen afgodsbeeld nú te vernietigen." En op hetzelfde moment smolt het beeld weg als was voor de zon. De priesters zetten het op een brullen en de hogepriester van de tempel trok zijn zwaard en doorboorde de apostel met de woorden: "Ik zal het onrecht dat mijn god is aangedaan, wreken." Daarop namen de koning en Carisius de vlucht, want ze zagen dat op zijn beurt het volk de apostel wilde wreken en de hogepriester levend verbranden. De christenen kwamen het lijk van de apostel bergen en begroeven het met veel plechtig vertoon.

Vele jaren daarna, rond 320, werd op verzoek van de Syriërs het lijk van de apostel door Alexander de Grote overgebracht naar de stad Edessa, dat toen nog Rages der Meden heette. Dat was een stad, waar ketters, joden en heidenen niet konden wonen en kwaadwillige tirannen niet heersen, omdat er ooit een koning had gewoond, Abgar heette hij, die een eigenhandig geschreven brief van Onze Heer had mogen ontvangen. Als er nu een of ander kwaad dreigt voor de stad, klimt er een jongetje op de stadspoort en leest de brief van onze Heer voor, waarop het gespuis onmiddellijk op de vlucht slaat of zich bekeert.

5. In zijn boek "Leven en Dood der Heiligen" zegt Isidorus van Sint Thomas: "Thomas was een leerling van Christus. Hij leek op de Heer. Hij was ongelovig bij het horen, maar gelovig toen hij zag. Hij verkondigde het evangelie bij de Parten, de Meden, de Perzen, de Hircaniërs en bij de inwoners van Bactriane. Te beginnen bij de stranden in het oosten en steeds verder doordringend in de binnenlanden preekte hij onverminderd tot aan de dag van zijn marteldood. Hij stierf doordat hij met een lans doorstoken werd." Ook Chrysostomus zegt dat hij gekomen is tot in het land van de Wijzen die indertijd naar Christus zijn gekomen om Hem te aanbidden; hij zou hen hebben gedoopt en tot steunpilaren van het christelijk geloof hebben gemaakt.

[183]

Beroemd is het in het Koptisch bewaard gebleven apokriefe (= niet tot de erkende vier evangeliën gerekende) Thomasevangelie; daarin wordt hij afgeschilderd als tweelingbroer van Jezus.

Verering & Cultuur

Thomas' relieken zouden aanvankelijk zijn overgebracht naar de Perzische stad Edessa. Sinds de middeleeuwen zouden zich ook reliquieën bevinden in de Italiaanse stad Ortona (bij Pescara). Er zijn nog andere plaatsen, die er prat op gaan (gedeelten van) zijn stoffelijk overschot rijk te zijn.

Sinds de kalenderhervorming van het Tweede vaticaans Concilie in 1969 is zijn traditionele feestdag van 21 december midden in de winter verplaatst naar 3 juli, vanouds de datum van de overbrenging van zijn relieken naar Edessa.

Hij is patroon van India en het Verre Oosten, van de Kerkelijke Staat, van Portugal en van São Tomé e Príncipe; daarnaast van de steden Goa (voorheen Portugese enclave aan de westkust van India en in de 16e en 17e eeuw uitvalsbasis voor vele Europese missionarissen) van de Italiaanse steden Parma en Urbino en van Letland's hoofdstad Riga.

Daarnaast is hij beschermheilige van architecten, bouwmeesters, aannemers bouwvakarbeiders, landmeters, metselaars, steenhouwers, timmerlieden en alle beroepsgroepen die met de bouw te maken hebben; bovendien van theologen, die immers in hun geschriften ook een bouwwerk oprichten voor de Heer! Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen blindheid, oogziekten, rugpijnen en tegen ongelovigheid.

Hij wordt afgebeeld met blote voeten (apostel); boek; hellebaard, lans of spies (zijn legendarische martelwerktuig); winkelhaak (attribuut behorend bij bouwmeesters en archtecten); soms een paleisje of kerkje; met de inscriptie 'India'; zijn hand in Jezus' zijde leggend; met Maria die hem haar gordel schenkt.

Dat laatste heeft te maken met een beroemde legende.

Thomas Apostel Legende rond Maria's sterfbed en ten-hemelopneming

Volgens de overlevering is Jezus' moeder Maria wellicht rond het jaar 48 gestorven temidden van Jezus' leerlingen overleden. Omdat zij met lichaam en ziel in de hemel zou worden opgenomen, werden alle leerlingen, ook degenen die al gestorven waren, naar Jeruzalem geroepen om van dit mysterie getuige te zijn. Overigens bestaat er een hardnekkige traditie die dit gebeuren niet doet plaatsvinden in Jeruzalem, maar in de stad Efese aan de westkust van Klein-Azië; daar zou Maria rond het jaat 40 heengegaan in gezelschap van Jezus' meest geliefde leerling Johannes.

Hoe dan ook, er is een traditie die gebruik maakt van het verhaal van Maria's sterfbed en ten-hemelopneming om de apostel Thomas te rehabiliteren. Hij had immers destijds zijn tien medeleerlingen niet geloofd, toen zij hem vertelden dat ze de verrezen Heer hadden gezien. Welnu, omdat Thomas helemaal vanuit India moest komen naar Maria's overlijden, werd hij door een engel meegevoerd langs de hemelboog. Hij zou echter te laat zijn, want in die tussentijd overleed Jezus' moeder. Zij werd door engelen ten hemel opgenomen. (Op afbeeldingen is het haast altijd de verheerlijkte Jezus zelf die, achter haar sterfbed staande, de ziel van Maria als een klein kind op zijn arm draagt. Mooie omkering van de klassieke afbeelding van Maria met het kind Jezus op haar arm!). Zo kwam het dat Maria's en Thomas' route elkaar in het luchtruim kruisten. Maria wierp Thomas haar sluier toe, als bewijs dat zij in de hemel was opgenomen. Maar zelfs met dat bewijsstuk in handen, werd hij door de andere elf leerlingen niet geloofd. Ze begaven zich dus naar Maria' graf en bevonden het zoals Thomas het hun had aangekondigd. En daarmee stonden de leerlingen weer quitte!

[naar: 'Maria's Opneming' in H.BAKELS 'Nieuwtestamentische Apocriefen of het nadere over Jezuws zijne Ouders en Apostelen en andere (voornamelijk nieuwtestamentische) personen, volgens schrijvers vooral uit de eerste twee eeuwen onzer jaartelling in Twee Deelen; Deel II, Amsterdam, 1923 p.48-49]

Weerspreuk(en)
'Als met Sint-Thomas de dagen gaan lengen
beginnen de nachten te strengen.'[131.213]

'Als Sinte Thomas rukt en raast
en dapper door de bomen blaast
dan rapen wij het volgend jaar
veel appelen bij mekaar...'[131]

'Sint-Jan [de Doper: 24 juni] wilde niet slapen gaan
Sint-Thomas en wilde niet opstaan'[131]

'Sint Thomas:
de kortste dag en de langste nacht.'[213]

''n Sterke blaas
van Sinte-Maas
en 't volgend jaar
staat d'appelaar
van vruchten zwaar.'[131]

'Thoma,
kehr d'Stund omma.'[213]
[Thomas, draai de uren om.]

'Thomastoag,
woas d'Mück'n geahna mag'[213]
[Thomasdag lengt
zover een mug stappen kan]

'Um Thomastag wächst der Tag
um einen Hahnenschritt.'[213]
[Met Sint Thomasdag
lengt de dag een hanepas]

[101; 101a; 102; 103; 104; 105; 106; 107; 108] [ 101; 101a; 102; 103; 104; 105; 106; 107; 108; 123; 146p:31.32(graf); 183» 12.21; 191; 12.21; Dries van den Akker s.j./1999.05.21]


Thomas Apostel
'Bericht van boven' (RKK ZinSpelen, Radio 5, zondag 4 april 2010)

...speel bestand af...

Hebt u ooit wel eens een dierbaar persoon in de steek gelaten? Tot in het diepst van zijn of haar ziel gekwetst? Zó, dat je letterlijk wel in de grond zou willen verdwijnen? Dat de wroeging echt schrijnend pijn deed? Ik wel. Ik gun het niemand. Ik ben Thomas. U kent mij als de ongelovige Thomas. Ik ben er getuige van geweest hoe zij mijn Jezus hebben afgemaakt als een beest. Ik behoorde tot zijn intieme vriendenkring van twaalf. Hij had voorvoeld dat ze Hem te grazen wilden nemen. Wij hadden gezegd: “We laten je niet in de staak. Al moesten we met je sterven!” Toen het link werd, zijn we allemaal als bange lafaards gevlucht. Ze hebben Hem afgeslacht. En wij? We hebben geen vinger uitgestoken. De andere elf hebben zich verschanst achter gepantserde deuren. Uit angst. En uit schaamte. Ik ben daar niet bij gebleven. Heb mij verstopt.
En kwam er één aangerend: “Thomas, kom, Hij leeft.”
“Wie?”
“Jezus! Hij leeft! Hij is aan ons verschenen!”

U kunt zich voorstellen wat er door mij heen ging. Maar hij stond zo te stralen…! Het beste was om maar even net te doen of ik het geloofde. “Ja, ja. En wat zei-die? Hij zal jullie wel op je donder gegeven hebben. Zo van: ‘Waar waren jullie nou, toen het moeilijk werd? Met jullie mooie woorden? Stelletje mislukkelingen. En daar ben ik nou drie jaar mee omgegaan…’”<
“Nee, Thomas, helemaal niet. Hij begroette ons op de vertrouwde manier: ‘Sjaloom. Vrede.’ Wij waren volkomen verbluft. Dus nogmaals: ‘Vrede.’”
Nu werd het me te veel: “Jáh! Dat had je gedroomd! Maar zo goedkoop komen wij d’r niet van af….”
Hij onderbrak me: “Thomas, luister. Weet je wat Hij nog meer zei?”
“Wat dan?”
“Hou je vast. Hij zei: ‘Ik zend jullie erop uit. Nu moeten jullie mijn werk overnemen.’”
“Ach joh. Wíj!!?? Weet je wel zeker dat Hij het was? De man die wij tot in het diepst van zijn ziel hebben teleurgesteld en gekwetst? Heb je zijn pijnplekken gezien? Want als het waar is wat jij zegt – maar dat kan natuurlijk niet… Als het waar is… - maar dat is natuurlijk onzin… Áls het waar zou zijn…”
Hij riep ongeduldig: “Het ís waar Thomas. Wát nou, als het waar zou zijn?”
“Maar zie je dat dan niet? Áls dát waar is, dan staan we tegenover een… tegenover een vergevingsgezindheid…: die we alleen van de Almachtige kennen uit ons Heilige Boek.
Ik geloof het pas, als Ik hem vóór me zie. Als ik zijn pijnplekken kan aanraken en Hem dan hoor zeggen: ‘Vrede. Ik zend jullie er op uit…’”

Precies een week later stónd-ie tegenover me. En dééd Hij precies wat ik had uitgeroepen. Zó veel vergevingsgezindheid. Wat een bevrijding van schuld. Ik kon alleen maar stamelen: “Mijn Heer en mijn God.”
Zalig Pasen.

Bronnen
  Al eens onze andere site: www.beeldmeditaties.nl bezocht?

© A. van den Akker s.j.
Deze pagina is het laatst gewijzigd op 23 nov 2014

Een greep uit wat deze website verder te bieden heeft:
VoorwoordLeeswijzerHoe wordt men heilig?VerantwoordingBronnenWoordenboek  
KerstafbeeldingenDe 12 apostelenPausenCitatenTante CatoArchiefTegelsBladwijzersNieuw
Tenslotte: een overzicht van alle hoofd- en submenu's van deze website