× 
Klik in dit venster
op: http://beeldmeditaties.nl
om naar die site over te stappen.

Sluit het venster om te blijven.

           
welkom menu contact zoeken
HeiligenkalenderHeiligen op naamPatroonheiligenHedendaagse namenMeer...     
† 9e eeuw  Daniel van Arles

Daniel van Arles (ook van Gerona of van Gironne) osb, Frankrijk & Gerona Spanje; kluizenaar & martelaar; Ü (387?) of 9e eeuw.

Feest 24 & 29 april.

DaniŽl zou afkomstig zijn geweest uit Oost-Europa en zich als kluizenaar in de buurt van Arles hebben gevestigd. Ergens in de 9e eeuw zou hij door Moren zijn gedood. Hij wordt vooral op sommige plaatsen in Noord-Spanje vereerd, zoals te Gerona.

Er bestaat een levensbeschrijving van deze heilige DaniŽl. Daarin worden bovenstaande feiten breeduit verteld: historisch gezien, zeer twijfelachtig. Ze bevat veeleer een opsomming van wat door de schrijver(s?) als typisch heilig werd beschouwd.

1. In de stad Arles, in de Provence, leefde eens een echtpaar, waarvan de man Crescentius heette en de vrouw Parabaste. Het waren allebei diepgelovige mensen, die kinderloos gebleven waren. Toen besloten ze alles te verkopen wat ze bezaten en als pelgrim naar Jeruzalem te gaan. Daar bleven ze drie jaar lang. Ze gaven alles wat ze nog bezaten aan de armen en kwamen elke dag naar het Heilig Graf om daar te bidden: "Heer Jezus, u bent de Redder en de Heiland van alle mensen. En u weet en ziet alles. Mijn vrouw en ik hebben alles weggegeven aan de armen om uw koninkrijk te mogen beŽrven en samen leiden wij een straatarm leven. Geef ons een teken of wellicht enige relieken waarmee wij naar ons vaderland kunnen terugkeren." Toen verscheen aan de man 's nachts in de droom een engel en die zei hem: "Sta op, ga de woestijn in aan de overkant van de rivier de Jordaan. Daar zul je een man Gods aantreffen, DaniŽl geheten. Hij zal met jullie meegaan naar huis en intussen zal hij jullie van alles leren." Op hetzelfde moment verdween de engel om naar DaniŽl in de woestijn te gaan. Tot hem zei hij: "DaniŽl, dienaar Gods, door mij is het onze Heer Jezus die tot je spreekt. Sta op en ga naar Jeruzalem. Daar zul je een man aantreffen die Crescentius heet. Hij heeft een vast geloof in onze Heer Jezus Christus, verblijft al drie jaar in Jeruzalem in boete en gebed en heeft alles wat hij bezat aan de armen gegeven omwille van de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus. Op dat moment had DaniŽl al zeventien jaar in de woestijn geleefd. Maar op het woord van de engel stond hij op en ging naar Jeruzalem.

2. Reeds onderweg liep hij Crescentius tegen het lijf, want die was immers op het woord van de engel de woestijn ingetrokken op weg naar DaniŽl. Ze begroetten elkaar en DaniŽl sprak: "Wie bent u en waar gaat de reis naartoe?" En hij antwoordde: "Ik ben Crescentius en ga naar de woestijn. Daar moet ik een zekere DaniŽl, een dienaar Gods, zien te vinden. Dat is mij door een engel gezegd." En DaniŽl riep uit: "Dat ben ik! Laten we onmiddellijk naar Jeruzalem teruggaan." Dat deden ze en ze bleven er nog een paar dagen. Toen vertrokken ze naar ArmeniŽ en kwamen daar in een stad die Ciliquia heette. Daar kwamen ze bij een man die Andreas heette en familie was van Daniel's ouders. Bij hem gekomen sprak DaniŽl: "Kom met ons mee, broeder Andreas en laten we de rest van ons leven wandelen in de dienst van onze Heer Jezus Christus." Toen scheepten zij zich in op een schip dat op Afrika voer. Maar door een beschikking van God kwamen ze niet in Afrika aan, maar in Tours. Vandaar gingen ze naar de stad Rome, waar Petrus en Paulus ooit de marteldood ondergingen. Daar verbleven ze veertig dagen. Toen ging het naar de stad Arles in de Provence. Ze gingen wonen in het huisje van Crescentius en brachten er hun tijd door in gebed en boete.

3. Niet lang daarna stierf Crescentius. Maar de zalige DaniŽl wist daar tezamen met zijn leerling Andreas vele mensen te bekeren tot het geloof in onze Heer en Heiland Jezus Christus. Maar in die tijd had je in de stad Arles een man die Teupanius heette en die de christenen vervolgde en doodde. Toen hij van het leven van DaniŽl hoorde en hoe hij er velen door zijn verkondiging tot Christus wist te bekeren, werd hij jaloers. Hij liet op een dag DaniŽl bij zich roepen, en hij sprak: "Waar komt u vandaan? Tot welk volk behoort ? Wat loopt u de mensen hier tot zo'n ongeluksgeloof te bekeren? Bent u dan niet bang? Weet u dan niet dat ik de macht bezit u de vuurdood te doen sterven?" Waarop DaniŽl antwoordde: "Ik ben ArmeniŽr van geboorte en kom uit de stad Quilicia. Mijn vader was er hertog en heette Patricius. Hij was net zo'n hooggeplaatst man als u, en ook even heidens en even kwaadgezind. Zo is hij ook gestorven. Ik was nog een klein kind, toen mijn moeder zich tot het geloof in Onze Heer Christus bekeerde. Zij gaf dat geloof door aan mij en aan mijn zus. Vervolgens verbleef ik op last van de Heer een aantal jaren in de woestijn. Daar kwam ik een man tegen die verstrikt was geraakt in de listen van de duivel. Hem heb ik toen bekeerd tot het geloof in onze Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft." Toen vroeg Teupanius: "Wie is dat, de duivel?" DaniŽl antwoordde: "De duivel is uw vader en u bent zijn zoon want u doet wat hij wil."

Teupanius merkte op: "U spreekt als een heer, onbeschroomd. Maar weet u niet dat ik de macht bezit u in het vuur te werpen en u te doen branden met al die lieden die door u bekeerd zijn?" DaniŽl zei daarop: "Ik ben in het geheel niet bang voor wat u mij aan kunt doen. Nee, ik vrees degene die gevreesd moet worden, die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat erin is. Hij is de Heer. En hij zal mij helpen wat u ook met mij doet. Maar u zit verstrikt in de boosheid van uw vader, de duivel." Daarop sprak Teupanius tot zijn beulen: "Gooi DaniŽl in de gevangenis." En zoals hij altijd deed, zei hij ook daar zijn gebeden.

4. Intussen liet Teupanius een vuuroven flink met hout opstoken; vervolgens liet hij Daniel aan handen en voeten vastbinden en tenslotte gelastte hij hem in de vuuroven te gooien met de woorden: "Dan zullen we wel eens zien hoe jouw Redder je uit de vlammen van dit vuur weet te bevrijden." Maar toen Daniel zich midden in de vuuroven bevond, kwam er een engel van de Heer die niet van zijn zijde week en die ervoor zorgde dat hem helemaal niets gebeurde. Toen Teupanius de engel van de Heer zag, die een menselijke gedaante had aangenomne, was hij stomverbaasd en zei: "We hebben er toch maar ťťn in het vuur geworpen, en nou zien we d'r twee!?" Daniel verbleef in die vuuroven van de vroege morgen tot de late avond. Toen liet Teupanius hem eruit halen en verzorgen. En op de rechterstoel gezeten sprak hij: "Jij bent waarschijnlijk zo'n mannetje dat toverkunst en magie heeft geleerd. Dus vertoon je kunsten en laat iets zien wat onzichtbaar is. Dan zul je niet meer hoeven branden." Maar DaniŽl gaf hem ten antwoord: "Ik had u toch gezegd dat de Heer mijn hulp zou zijn temidden van mijn benauwenissen, en dat u steeds weer de kant van de duivel kiest." Daarop zei Teupanius: "U moet wel een tovenaar zijn, want ik zag in de vuuroven een figuur die ik er helemaal niet in had laten zetten." En DaniŽl legde uit: "Dat was een engel van de Heer: hij heeft mij gered en bevrijd van uw laffe martelingen."

5. Daarop beval de rechter dat hij tot de volgende ochtend opnieuw in de vuuroven moest worden geworpen; en dat hij tot andere folteringen over zou gaan als hij zou zien dat zijn Heiland hem eruit zou halen. De volgende morgen liet hij hem dus aan handen en voeten binden en in de rivier de RhŰne gooien. Maar het water van de rivier maakte een weg voor hem vrij door naar twee zijden uit te wijken en hem ongemoeid te laten. Intussen bad de heilige DaniŽl hardop: "Heer Jezus Christus, u bent er vindingrijk in om uw rechtvaardigen steeds te hulp te komen: ik ben door water en vuur gegaan en u hebt me er ongedeerd doorheen gehaald." Toen Teupanius bemerkte dat ook deze straf de heilige man niet kon deren, liet hij hem tot de volgende morgen in de gevangenis opsluiten. Intussen zat hij te prakkizeren waarom zijn straffen de man Gods niet konden deren: "Als het dan niet anders kan, dan geven we hem maar aan de wilde beesten te vreten: want die God van hem bewerkt duidelijk grote daden door zijn verdiensten." De volgende dag liet hij DaniŽl dus voor zich verschijnen en wierp hem als vreten voor de wilde beesten. Maar die beesten kwamen DaniŽl de voeten kussen; ze deden hem niets, zij het dan dat ze zijn voeten likten. Toen liet Teupanius hem de stad uit brengen om hem te doen onthoofden. Op het moment dat dat gebeurde, gaf hij zijn ziel terug aan God. Dit vond plaats op 24 april; op het moment van zijn martelaarschap was hij 32 jaar en 6 maanden oud.

6. Zijn gelukzalige leerling, Andreas, en Parabaste, de weduwe van Crescentius, kwamen het heilige lichaam van DaniŽl bergen en bewaarden het drie maanden bij zich in huis. Vele gelovige zieken vonden er genezing door de verdiensten van de heilige. Men rook er ook een heerlijke geur die van het lichaam uitging. Maar een vijand van het geloof kreeg lucht van al die vele wonderen die er rond het lichaam van Daniel gebeurden; hij wendde zich tot Teupanius: "Heer, het lichaam van die DaniŽl, die u hebt laten onthoofden, doet vele wonderen, en zo worden er een heleboel tot het geloof van die christenen bekeerd! En teupanius gaf hem ten antwoord: "Ik zal dat lichaam weg laten halen en in zee gooien. Dan kunnen er geen wondertekenen meer mee gebeuren." Toen Andreas en Parabaste hiervan hoorden, vervoerden ze het lichaam stiekem naar Spanje, naar de landstreek CataloniŽ. Daar vonden ze tussen de bergen een dalletje dat heel veel leek op de plek waar hij vroeger kluizenaar was geweest. Dat was een dalletje geweest in de schaduw van de bergen rondom met een bron waar stromend water uitkwam. Ook dit was zo'n donker dal, dichtbij de stad Gerona. Daar begroeven Andreas en Parabaste het lichaam van de heilige DaniŽl. Dat was op 1 september van het jaar onzes heren 387. Op die plek bewezen Andreas en Parabaste grote eer aan het lichaam van de heilige. Elf jaar nadien stierf Parabaste. Andreas begroef haar op diezelfde plaats naast de heilige DaniŽl.

7. Negen jaar heeft Andreas daar nog een leven van armoede geleid. Hij was het ook die een levensbeschrijving van DaniŽl opschreef in het boek dat de heilige zelf altijd bij zich had. Dat nam hij mee, toen hij naar ArmeniŽ terugging. Het heilige lichaam bleef gewoon begraven in dat donkere dal. In ArmeniŽ trof hij nergens nog een spoor van DaniŽl's broer en zus aan. Hij reisde door naar Jeruzalem en ging daar de Jordaan over de woestijn in. Precies waar DaniŽl destijds als kluizenaar had geleefd. Daar las hij diens leven voor aan alle kluizenaars die er woonden. Na het horen ervan riepen zij uit: "Gezegend zij de Heer onze God, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest tot in de eeuwen der eeuwen."


Bronnen
[ 100; 101aĽ D.-Gerona; 102Ľ D.-Gironne; 106; 140; ]

© A. van den Akker s.j.

VoorwoordHoe wordt men heilige?
© AuteursrechtWoordenboek
LeeswijzerGastenboek
Bronnen